Een feestelijk soort Bauhaus voor nieuwe kunstenaars

Subtitel: 275 jaar Haagse Academie
Gepubliceerd: 5 oktober 1957 in Vrij Nederland


versiering voor het grote feest (Marianne Dommisse)

De Haagse Academie van Beeldende Kunsten bestaat 275 jaar. Ik ben er heen gegaan, niet omdat dit lange verleden maar wel de toekomst mij interesseert. En omdat het mij bezighield wat de nieuwe directeur J.J. Beljon (35 jaar!) – mij tot dat moment bekend als Majorik, in krantenartikelen op de bres staand voor moderne kunst – met die toekomst van plan is. Ik bereikte zijn kamer via de gangen die ik twintig jaar geleden dagelijks doorkruiste. Nu bleken ze veranderd in een vreemde feestwereld: nog in staketsels. De jeugd uit mijn tijd met lange haren en sporadische baarden en iets van goedmoedige anarchie in ribfluweel en sandalen, was vervangen door jongens met heel kort haar, caesarkapsels, nu juist wel met baarden, venijnig voortbenend in dunne broeken en op puntschoenen. Ze bestormden de muren met verf en gekleurd papier, bijgestaan door meisjes die er aanzienlijk decoratiever en gevaarlijker uitzagen dan hun vooroorlogse collega’s.

‘Ik ben wat ik schrijf en om dat te realiseren zit ik hier’, zei Majorik. En hij vertelde hoe hij van de academie een ideale werkgemeenschap zou willen maken. In de trant van het Bauhaus. Een school waar men niet alleen een vak leert, maar waar men werkt aan de man zelf, die straks, losgelaten op de maatschappij, moet kunnen en durven staan achter de dingen die hij maakt.

‘Dat zal niet eenvoudig zijn,’ merkte ik op, ‘want is het niet zo, dat de wettelijke bepalingen waaraan de academie is onderworpen een dergelijke ontwikkeling meer remmen dan bevorderen?’

‘Ja’ Lachte hij met een strijdlustige blik, ‘het beroerde is dat deze academie officieel als een middelbare kunstnijverheidschool wordt beschouwd. Niet een eerste rangsschool die in staat is een eindopleiding te geven Onrechtvaardig, want onze resultaten zijn beslist niet minder dan die van de twee erkende academies in Amsterdam en Maastricht. Ga maar na hoevelen van onze oud-leerlingen een rol zijn gaan spelen in het kunstleven van onze tijd.’ En een sigaret zoekend: ‘het grote struikelblok voor een gezonde ontwikkeling is de bepaling dat iedere klas ten minste tien leerlingen moet hebben. Daar  hangt het bestaan van hele afdelingen, van subsidies en de beschikbaarheid van leraren van af. Iedereen voelt dat op die manier de selectie voor een dergelijke gemeenschap uiteraard volslagen onmogelijk is. Een basisjaar zou ideaal zijn. In dat jaar zouden de leraren kunnen selecteren en daarna zou men een aantal jaren kunnen werken met mensen die geschiktheid en karakter bezitten.

Eis van de tijd

En inderdaad is het een absurde situatie als het kunstonderwijsbepaald wordt door kwantiteit en niet door kwaliteit. Driftig trekkend aan zijn sigaret: ’De wereld heeft geen belang bij mensen die hier komen alleen maar om straks een broodje te verdienen. De nieuwe tijd stelt hogere eisen aan de vrije, zowel als aan de gebonden kunstenaar. De kwaliteit is juist wat steeds belangrijker zal worden. Want kunstenaars, en ik maak geen wezenlijk onderscheid tussen vrije en gebonden, bepalen hoe de wereld waarin wij leven er zal gaan uitzien.’

‘En onze samenleving is arm aan schoonheid. Schoonheid is een akelig woord. Ik bedoel : arm aan dingen die actief en vitaal maken. De petit-maître van vroeger is onmogelijk geworden. Zoals het weinig zin meer heeft om portret te leren schilderen of genre of landschap. Het is allemaal wel opgenomen in het leerplan, maar de sociale functie ervan is aan het verdwijnen. Een nieuw type kunstenaar is daardoor aan het ontstaan. En voor zover wij hem opleiden moet men ons de middelen geven hem straks als een kerel te kunnen loslaten op het belangrijke werk dat hem staat te wachten. Want in onze tijd liggen door eenzijdige technische specialisering veel gebieden van de menselijke ziel te verkommeren en juist daar is zijn taak.’

Vrij en gebonden

Buiten klonk een wilde fanfare. Academieleerlingen veroverden de binnenstad, voorafgegaan door een tambour-maître, die stokzwaaiend haar benen over de straat liet dansen. En in de blauwe nevel die ontstond terwijl wij beiden ketting rookten, vroeg ik hoe hij zich de veranderde verhouding tussen vrije en gebonden kunst dacht.

‘Wel’ zei hij, ‘de vrije schilderkunst is wat de poëzie is voor de literatuur. Even onmisbaar maar niet belangrijker dan de gebonden kunst. Het is de levende kern waaruit de nieuwe vorm ontstaat. Het is het laboratorium van de toekomst waaruit echt menselijke impulsen worden gegeven aan de gebonden vorm. De vrije kunst is de bron van inspiratie. In onze cursus voor industriële vormgeving is dan ook niet de industrie bepalend, maar de verantwoordelijkheid van de kunstenaar. De verantwoordelijkheid ten opzichte van zijn ontwerp enerzijds en ten opzichte van de reële menselijke behoeften anderzijds.

Maar het gaat er niet om geestloze techniek verkoopbaar te maken. Mensen als Le Corbusier en Breuer hebben zeker niet het voorbeeld gegeven kunstzinnige kwaliteit te laten bederven door commerciële overwegingen. Hun visie stond altijd voorop. Kandinsky, Klee en Feininger zijn van belang geweest als scheppers van nieuwe uitdrukkingsvormen. Léger maakte een wereld die voor ons nog niet sensibel aanvaardbaar was. Vergeet niet hoe vreemd men vijftig jaar geleden opkeek naar ‘een plotseling technisch wordende ‘Umwelt’ . Ons leven heeft een nieuwe en andere behoefte aan kunstenaars gekregen.’

We keken naar buiten naar de binnenplaats waar men een noodgebouw opricht.  ‘Ja’, zei hij, ’om goed voor de nieuwe taak op te leiden hebben we ruimte nodig. Ruimte die men ons niet geeft.’ Ik besefte dat het noodgebouw een noodzakelijk kwaad zal blijken te zijn, een obstakel dat de omringende lokalen in het licht zal staan en de architectonische betekenis van de binnenplaats teniet zal doen.

Onbegrijpelijk

En ik bedacht met verbittering hoe absurd het is dat deze school zich wel academie mag noemen maar het in feite niet mag zijn. Wordt een zo belangrijke instelling dan alleen maar uit flauwe piëteit met de traditie op de been gehouden? De houding van het departement, dat deze school kunstmatig op een plaats houdt waar ze gezien haar prestaties allang niet meer thuishoort, is onbegrijpelijk. En dit alleen al blijkens een indrukwekkende lijst die men zou kunnen opstellen van mensen die een behoorlijke rol zijn gaan spelen in ons kunstleven en oud-leerlingen zijn van de ABK.

Maar met de ruimte zit het als met de subsidiëring, de wettelijke voorschriften, de selectie die men niet kan toepassen. ‘Grote werkplaatsen zouden we moeten hebben,’ zegt Majorik, ‘waarin wandschilderingen en mozaïeken kunnen worden gemaakt. Werkplaatsen voor glas en textieldruk. We zouden mensen moeten kunnen aannemen uit de textielwereld, of echte glasmensen en typografen – zelf geen kunstenaars, maar doorkneed in de mogelijkheden van hun materiaal. Ze zouden amanuensis zijn in e zin van de ‘Werkmeister’ van het Bauhaus.

Buiten de kamer was al een soort feestelijk Bauhaus ontstaan door de versieringen waartussen de verjaardag zal worden gevierd. Een werkgemeenschap waarin ongelofelijk hard en enthousiast werd geploeterd. Een evident bewijs, hoe ruimte en expansiemogelijkheid inspirerend werken tegen de achtergrond van het gevoel samen een nieuwe ruimte tot leven te brengen.

GEORGE LAMPE