Een avondje met Karl Heinz Stockhausen

Gepubliceerd: 10 Februari 1962 in Vrij Nederland

Livinus van de Bundt – photopeinture – gaat samenwerken met Karlheinz Stockhausen, die van zich zelf zegt: ‘Ik ben componist, maar ik betrek de visuele wereld erbij. Ik gebruik ruimte, tijd en beweging.’ In het ‘Theater am Dom’ in Keulen heeft Livinus gezien wat Stockhausen daarmee bedoelt, om te kijken welke functie zijn bewegende stralingsschilderijen in de experimenten van Stockhausen kunnen vervullen. Hij vertelde mij wat hij daar zag. Ik heb het natuurgetrouw opgetekend.

“STOCKHAUSEN voelt dat met een elektronische apparatuur op het podium de zaak niet af is. Hij werkt met een wisselend aantal mensen en toevalligheden, onvoorziene gebeurtenissen die hem aan inspiratie helpen.

Hij zet die lui op het toneel en vraagt ze ‘spontaan te creëren’ binnen een tijdslimiet, door Stockhausen op een basis van elektronische muziek vastgelegd, op een band gemonteerd.

Die Stockhausen staat ervoor, als een echte dirigent, want buiten zijn band heeft hij musici op het toneel en acteurs, en ‘toevallige’ mensen van buiten of uit het publiek, die hij er zo maar bijhaalt. En dat hele geval ‘dirigeert’ hij en hij is er nog in geslaagd ook. Door ze te dwingen en aan te vuren, maar ook door ze vrij te laten.

Ze leefden in spanning, al die lui op het toneel en in de zaal, want ze wisten dat er ‘creatie’ van hen verwacht werd.”

“Ja, hoe ging dat?”

“De basis was een tijdverdeling, met een levensgrote chronometer, middenachter, op het toneel. En dan waren er getekende partituren. Geen notenschrift, maar een soort gebonden grafiek: bladen met driehoeken, gewoon rechtop en op hun kop en gekanteld en zo.

De slagwerker had een kapstok met leren kokertjes, die hij met zijn vingers betokkelde.

De microfoon bracht het over als een vreemd geritsel. Slagwerker Caskel had allerlei instrumenten, maar zelfs voor die geraffineerde vent waren het er nooit genoeg. Een rare duivel die Caskel, die er opeens staat in een vuurrode académique en hoge hoed en venijnige pinggeluidjes veroorzaakt.

Het volgende moment, je hebt hem niet eens gemist, staat hij er weer: van top tot teen in het wit, een schermpak, met een masker op en prikt met van alles naar zijn instrumenten en maakt geluiden.

Iedere keer versierden die gasten zich weer anders. Als zodanig was het echt theater. Theater zoals nog nooit vertoond.

De criteria van Stockhausen drukt-ie uit in contrasten als: absurditeit en vanzelfsprekendheid, natuurlijk en kunstmatig, gedetermineerd en ongedetermineerd, en het een slaat in het ander om en zwart is een graad van wit.

En dan praat hij ook veel over duur, dichtheid, gelijktijdigheid en opeenvolging”.

ACTUALITEIT

“JA, ik heb verschrikkelijk veel gezien. Er was beweging en zelfs bewegingsonscherpte, bewust gehanteerd.

De actualiteit was de hoofdzaak.

Het experiment: waar moet het naar toe?

“Kom laten we niet bang zijn, hij was het ook niet. Hij brengt een chaos teweeg, maar dirigeert hem en haalt er de bruikbare elementen uit, door de mens centraal te stellen.

Bij muziek ging het niet alleen om mensen met instrumenten, maar ook om visueel gemaakte muziek – om beweging – ook bij de toeschouwers. En iedereen op het toneel bracht het op zijn eigen manier, de een als toneelspeler, de ander als muzikant, een derde meer als conferencier, de vierde als dichter en de vijfde als een soort politiek debater.

In dat kleine momentje dat ze – binnen het elektronisch tijdschema – van Stockhausen alles moesten losgooien in een ‘scene optique’ en ‘coloristique’.

Het een slaat in het ander om. Het ene ogenblik is er een sexbom, een meid met een machtige, versierde muts op d’r poppekop in een pin-up toiletje. Het volgende ogenblik is het een heel ander wijf geworden, waarmee je iets heel anders wilt, iets zachts, iets duurzaams, iets in een andere tijd. Aan haar wordt op een bepaald moment een krant uitgereikt door een bekende krantenverkoopster uit Keulen, die is daarvoor van de straat gehaald.

Ze maakt van de gelegenheid gebruik en verkoopt meteen haar kranten aan de eerste rijen en vangt een flinke cent. Er waren er die meteen de krant gingen inkijken en dat was ook de bedoeling. Grote koppen vertelden: Tanks rollen naar de oostgrens.

Dat werd de actualiteit van de avond. Alles nam kennis van die krant, acteurs, musici, publiek, alles wat meedeed. Stockhausen had dat in zijn tijdschema gecalculeerd.

En ze lazen die krant. Verdomme, wat lazen ze dat ding. Ieder de pagina die hem het meest interesseerde, zoals Stockhausen dat ook wilde. Ze lazen hem hardop, solo, in koor, het werd geluid.

En ieder bracht zijn eigen aanpak mee en probeerde zo indringend mogelijk te zijn. Ieder probeerde de aandacht te krijgen. De een las de doodsberichten, een ander de advertenties, een derde de politiek”.

“Jij snapt wel wat er gebeurde, toen ze aan de hand daarvan moesten gaan improviseren. Je snapt wel dat die acteur met zijn in de oorlog kwijtgeraakte vingers (nou ja, hij had nog één wijsvinger aan zijn rechterhand) zich zelf was. En ons schuimbekkend en over zijn toeren toesprak en met zijn ene haakvinger het hemd van zijn bast scheurde.

Een zeer expressief vingertje was dat. Dat werd extra duidelijk toen de cameraman die op het podium liep te filmen tijdens de ‘repetities’, beelden projecteerde, dwars over het toneel en de ‘spelers’, van dat handje en dat vingertje.

Je snapt ook hoe de belichtingstechnici aan hun trekken kwamen, want die hadden ook hun vrijheid met gekleurd licht en af en toe mochten ze de hele zooi wegstralen, overstralen”.

KOREAAN IN TEIL

“REGISSEUR Caspari – helemaal bovenop zo’n tenniswedstrijdladdertje – greep op de vreemdste momenten in. We maakten doorlopend een repetitie mee en hadden het gevoel er enorm met onze neus opgedrukt te worden. Je was er zelf deel van, als toeschouwer was je erbij betrokken. Dat deden ze bewust.

Van het toneel werd b.v. iets de zaal in gegooid. Schillen van bananen, die een vent staat te eten. Een ander kwam om maar liefst hele appels en peren de zaal in te smijten. Het publiek vrat ze op. Je kon niet anders. Gerard van het Reve, liep op een moment naar voren, omdat-ie ook met parfum bespoten wilde worden. De psychologische band met het publiek werd hevig voelbaar”.

Die hevigheid werd onverdraaglijk. Dat bleek toen Stockhausen op een moment in dirigeerhouding verstarde en alles verstarde – geen geluid, geen beweging – een pauze in het geluid, een bevriezing van het beeld”.

“Duurde die pauze seconden of minuten”?

Die chronometer was het enige ding dat liep, maar je kon het niet meer met je gevoel voor tijd bekijken.

Die pauze duurde zo lang dat er een ontzaglijke stilte ging vallen. Tot er een zenuwachtige vent riep: ‘das gehört vielleicht auch zum kreativen Moment.

Geen mens reageerde. Ook niet toen een juffrouw hysterisch begon te lachen. Een paar liepen weg, konden het niet meer aan. Maar denk nu niet, dast er steeds stilte was. Jezus, man, we hebben geluid te verstouwen gekregen dat reikte tot de pijngrens.

Want die jongen aan de knoppen mocht ook doen wat hij graag wilde”.

“Ja, ze werden gedirigeerd. Maar er was een moment waarvan Stockhausen zelf toegaf, dat hij niet meer kon dirigeren.

En dat was het moment toen die Koreaan, June Park, zijn nummertje ging weggeven.

Nou moet je je voorstellen, een soort kleine Chinees; een mantel om zijn mooie pak geslagen. In zijn handjes papier om een stokje gerold. Het is een soort brief. Hij rolt hem af met hele kleine beweginkjes, leest hem voor met hele kleine iele stokkende geluidjes, het papier vlak onder zijn neus, voor zijn ogen, en hij vertelt zijn indroevige verhaal in een taal die we, omdat het muziek was, allemaal wel snapten.

June Park, die zijn treurige verhaal over Hirosjima deed.

Op de repetitie had-ie alle spelers en de voorste rijen gebombardeerd met bonen, fall-out die op alles neerregende.

Maar nu haalde hij een grote papieren buil tevoorschijn, nadat-ie zijn meterslang geworden rol heeft laten vallen. Hij schudt die zak boven zijn kop uit, een zak met meel. En hij schudde en het stoof over het toneel, over de instrumenten, over de geschrokken collega’s. Man, je begrijpt niet hoe meel kon stuiven. Ik wist het ook niet. De hele tent zat onder, ook de voorste rijen. En Park was helemaal wit, ook zijn mooie zwarte pak.

Ik weet alleen dat ik me kapot geschrokken ben van het geluid dat-ie maakte in een teil met water, die door twee helpers het toneel was opgesjouwd. Dat geluid was waanzinnig”.

“Nu kan je horen wat lui achter knoppen en versterkers kunnen aanrichten. Park speelde met zijn vingers voor zijn lippen, die ook onder water waren: borrelen, gillen, snuiven.

Toen ging er een rilling door de zaal. Toen hij niet alleen zijn kop, maar ook zijn schouders, zich zelf, helemaal in de teil wurmde. Hij had toen heel mooie structuren op z’n gezicht en op z’n pak en maakte een onbeschrijflijk geluid als van een stervend paard, maar dan door die jongen achter de knoppen, tienduizend keer versterkt. Het was niet te verdragen en Tudor sloeg met zijn armen en ellebogen op de piano en plakte de toetsen aan elkaar met tape, om het zich moeilijk te maken.

En dat met die waanzinnige, ontstellende stervensgeluiden, duizend keren versterkt. Ik weet echt niet meer wat daarna gebeurde”.

 (Zo zouden we nog lang door kunnen gaan. Dit is een fragment van wat ik optekende, van wat Livinus zag en hoorde in Keulen, in het ‘Theater am Dom’ waar Karlheinz Stockhausen een uitvoering dirigeerde van ‘Ich’ (Originale, musikalisches Theater.)