Een schildersbrief aan iedereen

Subtitel: Zeven museale exposities.

Gepubliceerd: 1 Februari 1965 in Vrij Nederland

Ik heb zeven tentoonstellingen bekeken. Museale, dus belangrijke.

Laat niemand beweren dat we dit jaar ‘kunstloos’ over de drempel gaan. Om te beginnen: Asger Jorn (Stedelijk, alwaar ook gezien: Dubuffet, Courtin, Muller).

Vroeger was ik over Jorn enthousiaster. Dat zegt alleen maar dat hij voor mij aan actualiteit heeft ingeboet. Niet dat ik hem minder vind. En begin me nu niet aan mijn kop te zeuren dat actualiteit noch enthousiasme maatstaven mogen zijn. Dat weet ik ook wel. Ik wil alleen maar zeggen: naar mijn gevoel is abstract expressionisme pas voltooide tijd. En ik wil er best bijvoegen ervan overtuigd te zijn dat nog menig briljant werk in deze trant geschilderd zal worden.

Jorn: vergeleken bij Appel (die ook zo schildert beweren sommigen op grond van dikke verf, kleurstromen, abstract-expressionistisch) zeg ik: geef mij maar Jorn. Een intelligenter en genuanceerder persoon, zou ik denken. Meer mogelijkheden dus. Zo iets zie je ook aan schilderijen. Of er minder aan de oppervlakte en meer van binnen gebeurt. Het is natuurlijk, net als bij Appel, een heftig soort schilderkunst, maar tegelijkertijd minder afficheus.

Het is een grote tentoonstelling, een soort overzicht. Boeiend hoe tam geweldenaars kunnen beginnen. Aanvankelijk is het werk niet bar persoonlijk. Meer Parijse school. Een beetje Mirò, een scheutje Klee. In de Parijse school waren heel wat schokkender dingen te zien. In ieder geval niet zo laf van kleur. Maar er schijnt iets gebeurd te zijn. Met hem of in hem. Want op een gegeven moment ziet men de Parijse school en het onpersoonlijke, het geleende en ontleende veranderen in iets persoonlijks. Geloof jij dat een schilder zo iets overkomt, alleen aan de hand van het zich braaf bezighouden met de oplossing van schilderkunstige probleempjes? De steeds vernuftiger oplossing van steeds vernuftiger sommetjes?

Op de een of andere manier is hij dichter bij zich zelf gekomen. In religieuze kringen noemt men zo iets, geloof ik: ‘op je zelf teruggeworpen worden’.

Zo iets is met hem, denk ik, wel gebeurd. En sindsdien zijn de vormproblemen in zekere zin opgelost omdat vorm voor hem sindsdien voor het eerst levensgrote betekenis kreeg. Schilderen ging iets anders voor hem betekenen. Iets dat direct met zijn leven van doen had. En dat is iets anders dan grasduinen in het vormarsenaal van de recente kunstgeschiedenis, een verwerpelijke abstracte bezigheid.

Het zal meer op één lijn zijn gekomen met ademen, eten, slapen, bijslapen, iets kwijt moeten raken, het doen van een behoefte, moeten leven. Van dat moment krijgt verf bij hem een betoverende kleur en beweging en soms doet hij mij aan Munch denken. Maar op een heel andere (nl. gunstiger) manier dan aan Miró. Van dat moment ook is zijn betekenis voor de abstract-expressionistische periode ingrijpend.

Dubuffet dan. Ik houd van dat werk, dat schijnbaar zonder bedoeling tot stand komt. Een systeem gemaakt van knoeien, beduimelen, rottigheid, morsen. Zo iets vind ik boeiend. Ik houd van dingen die ontstaan op ongeveer gelijke wijze als de rare en onthullende krabbels en knoeierijtjes die men halfbewust of onbewust vervaardigt als men telefoneert of praat of in zijn neus peutert. Die dingen hebben op echte kunst veel voor. Zelfs als ze zich er nooit mee kunnen meten. Om te beginnen omdat ze echt zijn en daardoor dikwijls oerlullig, maar dan ook zeer overtuigend van lijn en expressie of alleen maar van veelzeggende ornamentiek. Ze zijn geladen.

Dubuffet

Als zodanig zijn ze als uitgangspunt voor iets nieuws dikwijls belangrijker dan menig kunstwerk. Als men het ziet, tenminste. Kunstwerken kunnen danig lijden aan de opzet kunstwerk te moeten zijn. Ook voor het kunstwerk is de statuskwestie funest. Ja, ik ben voor het neerhalen van barrières tussen ‘de’ kunstenaar en de ‘gewone’ mensen. Misschien is het dan eindelijk gebeurd met het geouwehoer over de kloof en het ‘niet begrepen worden’.

Als het publiek nu maar wil. Want het kijkt graag naar iets op- of erop neer. In ieder geval, zulke mensen als Dubuffet helpen een subliem handje mee. Niets is dodelijker voor kunst dan de kunstnotie. Daarom juiche men iedere vorm van anti-kunst toe. Want het  besef leeft erin dat het om andere en belangrijker dingen gaat dan om limonade drinken, dan om flets genieten.

Ik zag ook Courtin en die beviel mij heel wat minder dan Dubuffet. Courtin maakt gebruik van het reliëf, dat nu eenmaal meekomt aan het gebruik van bepaalde vormen van grafiek.

Nietwaar, men maakt een indruk in het papier. Men kan de plaat betasten, maar ook de afdruk. Voor zulke experimenten ben ik geenszins ongevoelig. Maar de reliëfdrukken van b.v. Livinus vind ik interessanter. Buiten mijn vingertoppen gaat het licht een speciale rol spelen. Maar dat wil ik dan ook goed merken. Het hoeft voor mij niet zo steriel  rechttoe, rechtaan, decoratief. Zelfs niet als er toon is toegevoegd om reliëf te verduidelijken. Het is bloedserieus werk, maar droog als gort. Misschien zie ik het een volgend keer anders: beter of slechter.

En dan: Muller, Beeldhouwer. Imposant. Vooral als je blijft staan bij het geliefkoosd beeldhouwersdogma over volume en ruimte. Metalen plastieken, kabels erin verwerkt, ploegschaarachtige gevallen, monumentaal en keihard, zwart. Duidelijk, overduidelijk in de ruimte begrensd, onsentimenteel. Soms een spel in de richting van een monsterachtig insect.

En dan: Marini (Boymans) als schilder. De vraag dringt zich op: wat is de relatie tussen zijn beelden en schilderijen? Die relatie is vormelijk. Dezelfde motieven. Ruiters. Geprojecteerd op het platte vlak. Het zijn eigenlijk een soort schilderijen, gemaakt naar aanleiding van zijn beelden Of kleurige uitbreidingen van schetsen voor beelden. Tenminste; zo doet het mij aan. Dat betekent dat ze voor mij te weinig over een eigen leven beschikken.

Paradoxaal: dit komt misschien omdat hij ze juist te graag een eigen leven heeft willen geven en het toen te veel in kleur heeft gezocht. Zich laten misleiden door de gedachte: dit is schilderen, dit mag niet op beeldhouwen lijken. Waarschijnlijk was hij essentiëler geworden als hij zijn beelden meer had ‘nageschilderd’. Natuurlijk niet in huis-, tuin- of keukenzin. Maar toch had zoiets verdieping kunnen betekenen. Van een andere kant uit: door het meest essentiële, de ruimtelijke vorm, meer in zijn betrekkelijke kleurloosheid te benaderen. Bontheid valt niet samen met intensivering.

Dan zag ik nog de collectie Hulton. Geen uitgebreid bericht daarover. Een paar namen: Picasso, de Stael, Chagall, de Chirico, Rouault, etc. .Maar het gaat mij speciaal over Klee. En wel omdat ik het eerder had over Dubuffet. Ze lijken wel en niet op elkaar. Klee doet het mij steeds – net als Dubuffet – aan, omdat ze beiden iets hebben van : ik doe wat me invalt. Als zodanig bestrijken ze beiden een enorm gevarieerd gebied.

De Klee’s in deze collectie behoren tot de allerfijnste . Er zijn natuurlijk grote verschillen met Dubuffet. En die kunnen op den duur wel eens niet ten gunste van de laatste uitwerken. Ik geloof dat Klee over meer beschikte. Hij was buitendien, buiten alle experiment om, ook leerstellig, opbouwend, filosofisch, educatief, instructief, kortom, van alles. Overigens: zonder Klee zou Dubuffet nergens zijn. Zoals veel van wat recent gebeurt zonder Klee geen kans zou hebben gekregen.

Tot slot nog dit: Na mijn bezoek aan Jorn, etc. loop ik in het Stedelijk een zaal in. Sta pal voor een triptiek van Bacon.

Drie losse, bij elkaar horende schilderijen. Drie mensen in een ruimte. In ieder van de schilderijen is de gruwelijk lege ruimte voortzetting van die in de twee andere. De mensen zijn naakt, gehavend, gedeformeerd, buitengewoon ‘alleen’. Een hangt in een stoel. Een op een soort kruk. Een hurkt in die ontstellende leegte op een plee. Dit waren de drie schilderijen die mij het meest het gevoel gaven opnieuw voor een werkelijkheid te staan: Dit is uw leven.

 

GEORGE LAMPE