Abstract schilderen is moeilijk

Subtitel: Voorstellingen zijn niet essentieel.
WAAROM gaat een schilder abstract werken?… Allereerst omdat de voorstelling hem niet interesseert. Hij heeft geen zin om door de voorstelling het accent te leggen op iets waar het niet op aankomt. Menigeen weet nu wel dat het essentiële in een goed schilderij nooit de appel of peer is, die men er zo nu en dan op kan aantreffen, maar datgene wat er met de appel of peer is gebeurd. Iets wonderlijks waarin de voorstelling niet méér is dan een middel, zoals het doek en de verf.
Dan is de vreemde en eigen wereld van de schilder ontstaan, de werkelijkheid van de schilder: het schilderij. Een wereld op zich zelf waarvan de poëzie volgens eigen wetten, geheimzinnig maar reëel ontstaat uit de spanning van vorm en kleur en de emotie die gerealiseerd is in het beeld.

WETEND hoe weinig de voorstelling met het wezenlijke van het schilderij te maken heeft vraagt men zich af, als men ondubbelzinnig wil zijn, wat het gebruik van de voorstelling voor nut heeft en dieper gaand, wat voor zin.
Waarom zich te verstrikken in bijzakelijkheid. Het hele probleem kan men trachten te omzeilen door te stellen dat abstracte kunst niet kan bestaan, omdat alles wat op een doek staat niet anders dan voorstelling, figuur kan zijn. Een aardige en spitsvondige haarkloverij, die niet lang opgaat. Immers het gaat om het accent. De abstracte kunst maakt gebruik van aan de voorstelling verwante vormen, maar legt het accent op datgene wat de voorstelling nooit kan zijn, het voorstellingsloze, dat pure vorm en kleur is geworden.
En al die spitsvondige haarklovers weten ontzettend goed welke kunst bedoeld wordt als men spreekt over abstract, voorstellingsloos of non-figuratief. En alhoewel ze er soms een beetje pijn door hebben beseffen ze dat het hier niet gaat om een ‘-isme’ dat aan eigen orthodoxie en systematiek te gronde gaat, zoals tot nu toe het lot van de ‘-ismen’ logischerwijs is geweest. Want wel de ‘-ismen’ zijn vergankelijk, maar niet de schilderkunst. De abstracte kunst echter is een aparte wereld in het schilderen geworden, waarin iedere structuur en ieder karakter kans heeft zich uit te drukken. In de abstracte kunst kan men expressief maar ook tonalistisch, constructief of tachistisch, emotioneel of koel verstandelijk werken. Een rijkdom van mogelijkheden die geen enkel ‘isme’ opleveren. Daarom kan men met recht hier spreken van ‘een nieuwe wereld’ (een veelomvattend universum) van het schilderen.

Misverstanden

WAAROM dus een schilder abstract gaat werken?… Omdat hij direct wil zijn en essentieel. Omdat zijn ogen gruwen van alles wat in alle toonaarden te zien is geweest en te dikwijls herhaald. Omdat hij er genoeg van heeft dat bijzaken als hoofdzaken worden aangezien. Daar wil hij niet meer aan meewerken. Want hij wil ondubbelzinnig zijn en niet meer worden misverstaan. Dan maar liever helemaal niet verstaan worden. Is het niet om ziek van te worden als men geel en blauw heeft geschilderd steeds opnieuw te moeten horen dat ‘die citroenen zo mooi op dat doek uitkomen.

Als ik bezeten ben van rood dan wil ik het schilderen. En niets anders. Want anders wordt het een (rode) jas of een muts of daken. Noch daken, noch mutsen of jassen interesseren mij echter zozeer als rood. Dat is genoeg voor mij . Vooral daar ik weet dat ik een jas nooit om de jas maar wel om de kleur zou schilderen. De betekenis van een blauw in een abstract schilderij kan dieper de emotie die de lente teweeg brengt tot uitdrukking brengen en vooral zuiverder, ontdaan van bijzaken, dan welke nadrukkelijke lentevoorstelling dan ook vermag. Voor het eerst in Europa’s kunstgeschiedenis is de schilderkunst genaderd tot de directheid van muziek. Deze kunst die met nabootsing en voorstelling nooit iets goeds wist te vangen; die dus altijd al veel meer ‘absolute kunst’ is geweest. Voor het eerst is het de schilder mogelijk geworden op soortgelijke wijze onmiddellijk tot het gevoel te spreken zonder er kapstokken bij te leveren om dat gevoel aan op te hangen. Wat een verleidelijke vrijheid, wat een verantwoordelijkheid. En wat een risico om niet meer verstaan te worden door degenen die in een schilderij zoeken naar de dingen waarom geen kunstenaar werkt. Nu, dat risico nemen wij graag. Want nu gaat het erom verstaan te worden zoals we het bedoelen. Dat lijkt ons een goed recht en een wezenlijke behoefte van de kunstenaar. Dat is belangrijk voor een kunst, die levend en echt wil blijven.

Innerlijke discipline

ONWAAR is het dat de kunstenaar hiermee een gemakkelijker weg heeft gekozen. Want meer dan ooit komt het aan op de man achter het werk. Sinds het accent op het essentiële ligt kan hij zich niet meer verbergen. De uitwijkmogelijkheden zijn achter hem verbrand en wel door hem zelf.
Gebrek aan inhoud wordt niet meer gemaskeerd door inhoud suggererende voorstellingen. (Ik bedoel gebrek aan schilderkunstige inhoud.) Men is nog slechts een goed of een slecht schilder. En een slecht schilderij is nu slechter dan ooit. Vroeger was het probleem te ontsnappen aan de vervlakking in de richting van het plaatje, nu zich te hoeden voor vervlakking in de richting van het te grote innerlijke gemak, de smaakvolle decoratie. Dat is een zware opgaaf. Want de discipline aan het beeld en zijn werkingen opgelegd door de voorstelling is niet meer.
Nu moet de innerlijke discipline, het vermogen om een vorm te beleven, de uiterlijke van de voorstelling vervangen. Men vecht nu ineen gebied waarin halfheid tot niets leidt. Het schilderen is een wreed en noodlottig avontuur geworden. Men moet nu sterk zijn, want wie weinig te zeggen heeft staat bloot en armelijk te kijk in de armzaligheid van zijn inhoudsloosheid, gemakzucht, oppervlakkigheid, gebrek aan fantasie en impotentie. Het schilderen is ongenadig moeilijker geworden. Maar dat is de prijs die men graag betaalt om de essentie te bereiken.
Want men is nooit méér echt en méér dan wanneer men met de rug tegen de muur staat.

GEORGE LAMPE