‘Aanwinsten’ voor het Groninger Museum

JOS DE GRUYTER BRENGT MUSEUM TOT BLOEI

Vrij Nederland van 30 april 1960

Het vertrek van Jos de Gruyter was voor Den Haag een groot verlies. Een verlies even groot als de winst die Groningen boekte toen hij daar een post als directeur  van het Groninger Museum aanvaardde. Terwijl men in Den Haag de leegte die hij als criticus+ achterliet, nog steeds op monsterachtig onbevredigende wijze tracht op te lappen, heeft het Groninger Museum (voor stad en lande zoals het heet) sinds deze ambtsaanvaarding zijn stroom bezoekers van tienduizend tot veertigduizend zien aanzwellen. Als men zich realiseert dat het hier niet om toeristen maar voornamelijk om bewoners onzer noordelijke streken gaat, wordt duidelijk dat Jos de Gruyter dit provinciale museum aan het functioneren heeft gebracht. Het blijkt niet slechts aan een behoefte te voldoen, maar deze behoefte zelfs in toenemende mate te scheppen en voelbaar te maken.

Met welke middelen dit tot stand is gebracht toont de tentoonstelling ‘Aanwinsten’. Gedeeltelijk sluiten deze aan bij het oorspronkelijk historische, oudheidkundig en folkloristisch karakter van het museum. In deze sector echter kan men de nieuwe vitaliteit die het museum doorstroomt niet aan een verklaring helpen. Die kan men vinden in de uitbreiding van de afdeling moderne kunst, waardoor het museum een extra-dimensie heeft gekregen die sterk bijdraagt tot de diepte en levendigheid van het beeld dat de bezoeker voor ogen krijgt. Hij wordt betrokken in de activiteit van zijn tijd, in de sfeer van strijd, discussie en onderzoek die, afgezien van kwaliteit, in ieder geval de mentaliteit van de hedendaagse kunst in hoge mate bepaalt.

Het ligt voor de hand dat deze uitbreiding met grote financiële omzichtigheid gepaard moet gaan. De beschikbare bedragen zijn nu eenmaal niet groot. Dit wetend bekijkt men met des te meer voldoening de nieuwe aanschaf.

ANTI-MOOI

Het zal niemand verwonderen dat als de harde kern, waaromheen de rest zich groepeert, het expressionisme van ‘de Ploeg’ dient. Deze Groningse groep is voor de Nederlandse kunst belangrijker geweest dan men zich gewoonlijk realiseert en ageerde door middel van het werk al in de twintiger jaren met heftigheid tegen esthetische banketbakkerij. Om deze ‘Ploeg’ (mensen als Wiegers, Jordens, Rijkstra etc. zaten er in) extra reliëf te verlenen is er ook werk verzameld van verwante Duitse expressionisten zoals Kirchner, Schmidt-Rottluff en Paula Modersohn-Becker. Hoe meer ik erover nadenk, hoe duidelijker het wordt dat de leidende gedachte bij de samenstelling anti-klassiek, bewogen, expressief en op karakter is gericht. Er is hoofdzakelijk gezocht naar werken die ‘anti-mooi’ zijn. In dit verband horen enkele bijtende werken van Georg Grosz er al evenzeer bij als de merkwaardige kleurlitho van Max Ernst (de grote surrealistische ‘be’- en ‘ont’goochelaar).

Waar Grosz zich zelf en anderen ontluistert met van alle zachtheid verstoken, ontvleesde contouren, is Ernst even sinister in de magische dubbelzinnigheid die hij zijn vormen meegeeft.

Co Westerik, ‘de visvrouw”

Een schilderij van Co Westerik (één van zijn meest fenomenale) ‘De visvrouw’ (waarom niet in bezit van Den Haag?) sluit minstens zo goed bij deze richting aan als de plaatijzeren portretten van Charley Toorop, die de vluchtigste blik in de richting van het charmerende met koude verachting afwijzen. Men kan denken over Charley Toorops werk wat men wil. Men kan het prijzen of verafschuwen, maar nooit ontkennen dat het ‘karakter’ is. Zelden heeft iemand met zulk een ijzeren consequentie middelen die niet onmiddellijk beeldend waren zo hartgrondig versmaad, ze deed nooit een beroep op sentiment, romantiek of ‘Gefühlsduselei’.

Er zijn ook meer impressionistische aanvullingen van de verzameling. Zoals een naakt van Breitner (niet een van zijn beste overigens). De aansluiting aan de mentaliteit die de tentoonstelling beheerst, wordt echter niet gemist. Want Breitner representeerde in zijn tijd een zekere brute schilderachtigheid en noemde zich zelf niet voor niets ‘le peintre du peuple’, daarmede zijn afkeer van artistiek gezwijmel onderstrepend. Het is niet oninteressant

Isaäc Israëls ontwikkeling van een Duits (Liebermann) naar een Frans impressionisme in enkele schilderijen gade te slaan.

Onder de Groningse figuren is Jordens één der beweeglijkste en eigenzinnigste, een experimenteel karakter, met voortvarendheid heen en weer stormend tussen constructief aandoende – maar enigszins slordige – kubistische abstracte kleurcomposities en iets dat de Chinese kalligrafie tot op een haar benadert. Hij is evenmin te rubriceren als J.G. Hansen, van wie men naar mijn smaak te weinig hoort. Zijn schilderijen zijn klein maar heftig, van een hevige doorschijnende gloed. Ik vind hem eigenlijk interessanter, losser en van meer schilderkunstige verbeeldingskracht getuigen dan Benner, althans op deze tentoonstelling. Het bezit van drie werken van Herman Kruyder is natuurlijk in dit verband van bijzondere waarde.

Hier is een andere kant van het expressionisme aan het woord, zich onderscheidend van de min of meer fauvistische kleurigheid van ‘de Ploeg’ door een broeiende psychische geladenheid.

TREURIG EN BEKLEMMEND

Vooral ‘Het laatste landschap’ is in de onzegbare onaantrekkelijkheid van zijn stugge, boze en

Herman Kruyder: Het laatste landschap

modderkleurige verflagen en zware dreigende vormen een treurig en beklemmend werk. De kleurigheid van ‘de Ploeg’ vindt men terug bij Kirchner die zo’n grote invloed op Wiegers had. Zijn stilleven is vaster van opbouw dan het ‘Meisje met kind’ waarin Franse invloeden te weinig steun van zijn geaardheid krijgen. Kirchner komt dan in een vlak verwant aan André Lhote, dat op zich zelf al modieus en cerebraal genoeg is om bij een zo weinig strenge en van Latijnse klaarheid gespeende aanpak het randgebied van moderne kitsch te naderen.

Dijkstra is vooral graficus sterk en de fantasie prikkelend vertegenwoordigd. De hevige en donkere accenten van de tentoonstelling worden versterkt door Suze Robertson.

Het kentekende van deze expositie wordt verder nog onderstreept door Werkman, Altink, Schmidt-Rottluff en twee schilderijen van Paula Modersohn-Becker die ik zeldzaam vind. Een grove, landelijke rust en een bijna dierlijk aandoende poëzie vervult ze en houdt ze ver weg van het levensgevaarlijke niemandsland waar expressionisme en futurisme aan elkaar grenzen.

Jan van Heel en Jaap Nanninga nemen aparte plaatsen in, tussen dit op ruigheid ingestelde gezelschap. Nanninga is met een prachtig beheerste dromige kleur naar mijn smaak intenser dan Ouborg in een klein, rauw gebleven doekje.

Tenslotte wil ik nog wijzen op twee werken van Kees Verwey, waarvan vooral het zelfportret

Kees Verwey, zelfportret

meesterlijk gesuggereerd is door vlekken, die als men ze goed bekijkt, verbazingwekkend en vreemd zijn.

Dit museum is de verre reis naar Groningen waard. Binnen zijn muren kunt u nog verder reizen – in de tijd – tussen steenoude doopvonten, het oudste gedateerde weefgetouw (een machtig stuk houtwerk) en de experimenten van Ouborg en Duncan.

GEORGE LAMPE