Afrika, leven en expressie

Gepubliseerd: 7 Juli 1962 in Vrij Nederland

Als men de fascinerende tentoonstelling ‘Afrika, leven, expressie’ ziet – in het Afrika-museum (Berg en Dal, bij Nijmegen) – vraagt men zich eens te meer af, waarop de dwingende kracht berust, uitgaande van Afrikaanse kunstvoorwerpen. Kunst: het is de vraag of we dit begrip in onze zin zonder meer kunnen toepassen op dergelijke objecten. Want een wezenlijk onderscheid tussen kunst- en gebruiksvoorwerp is niet of nauwelijks aanwijsbaar. Te meer daar de oorspronkelijke Afrikaanse samenleving de scheiding tussen het dagelijks leven en kunst niet kent, evenmin als die tussen het dagelijks leven, religie en magie.

Men dient duidelijk te zien dat ieder kunstvoorwerp tegelijkertijd een religieus, magisch of sociaal gebruiksvoorwerp is en ook dat ieder gebruiksvoorwerp elk moment de grens tussen huis, tuin en keuken en de hemel, de rituele wereld, kan overschrijden.

Fetisch figuur van de Basonge stam

De inrichters van de tentoonstelling maken ons iets dergelijks duidelijk. Ze hebben ervan afgezien kunstvoorwerpen, zoals bij ons gebruikelijk, ter wille van het ethisch genot op te stellen; integendeel, ze hebben er naar gestreefd de Afrikaanse eenheid van leven en kunst te demonstreren door middel van diep in het bestaan van de natuurvolken gewortelde uitgangspunten. Daartoe plaatsen ze de Afrikaan in zijn omgeving, afhankelijk van de omringende natuur, van de ‘machten’ , te midden van zijn magische en sociale praktijken. Ze zijn uitgegaan van vier oerelementen die het leven – zeker in een primitieve samenleving – met schier huiveringwekkende noodlottigheid beheersen: aarde, water, vuur en lucht.

Baule-masker uit Ivoorkust

Dat zijn de ‘machten’ waarmee de Afrikaan een overeenkomst moet sluiten, die hij gunstig moet zien te stemmen, die hij moet trachten te beheersen, wil hij er niet zelf door beheerst worden. Vandaar: magie, die het leven van onder tot boven doordrenkt. Voorouderbeelden, fetisjen, rituele voorwerpen. Voorwerpen die beurtelings voor het een of het ander bestemd kunnen worden. Het is een wereld waarin erotiek, vruchtbaarheid, angst, taboes, rituelen, de dans, magie, demonen, ontzag, verwondering, wijsheid en agressie zo diep in elkaar doordringen, dat ze niet meer zijn los te knopen. Als we ons nog eens afvragen vanwaar die dwingende uitdrukkingskracht komt, vinden we het antwoord misschien juist in het ontbreken van ieder esthetisch uitgangspunt in westerse zin . Want niets is vervaardigd ter oplossing van steriele esthetische problemen. Het is een zaak van echtheid, van onvervalste, bij het leven behorende behoefte. Onze eigen ‘moderne’ kunst heeft heel wat aan Afrika te danken. Het ‘Unbehagen in der Kultur’ richtte zich vanzelfsprekend ook tegen de vormenwaarvan die cultuur gebruik maakte.

Bambara masker met gestileerde vorm van een antilope

De ontwikkeling van het kubisme en nauw daaraan verwante vormopvattingen is niet denkbaar zonder de Afrikaanse Kunst; een bloedtransfusie die we begerig in ons opnamen. Het gevaar is nu dat we, omgekeerd, de Afrikaanse kunst gaan interpreteren volgens Europese modernistische maatstaven. Het Afrikaanse ‘kubisme’ is helemaal geen kubisme in onze zin. En de Afrikanen zijn er niet toe gekomen op dezelfde wijze als wij. Wat bij hen natuurlijk en direct vormgevoel, een uitspraak zonder bedenkingen was, is bij ons juist vol twijfels en als panacee tegen kwalen van een seniel wordend kunstleven aanvaard.

Het is verleidelijk om de, uit facetten en hoeken gevormde, figuren van de Basonge, waarvan de plastisch ruimtelijke werking wordt ondersteund door felle, vlakke kleuren en banden, te betrekken op dezelfde problemen die ons bezighouden, maar het is onjuist.

Een ander misverstand t.o.v. de Afrikaanse vormenwereld is, dat men er te gemakzuchtig een soort eenheidsworst van maakt. De werkelijkheid is echter, dat we een gebied voor ons zien met een verbijsterende veelvormigheid, de overladen rijkdom van het oerwoud. Want naast die ‘kubistische’ stijl vinden we intrigerende vormen van wat we – ook al niet juist – interpreten als

Benin/Nigeria(lfestijl) 14e – 15e eeuw Brons 37 cm

overfijnd naturalisme.

B.v. bij de Baule-maskers. Dan zijn er de vrijwel kleurloze werken van de Bambara die hun figuren van plastische ornamenten  voorzien en ze versieren met koperen nagels, de ogen zijn kaurischelpen of glazen kralen.

En zo kunnen we doorgaan en ons laten overstelpen door een verbazingwekkende hoeveelheid stijlvariaties, die van het dramatische en demonische kan reiken tot het milde en zelfs het geestig en komische. Het is niet anders te verwachten. Want het gaat hier om een gebied dat buiten verschillende rassen, een onnoemelijk  aantal volken en stammen herbergt, waarvan men het aantal talen en dialecten op 700 à 800 schat en die eigen overleveringen, gebruiken en magische praktijken cultiveren. En dit tegen een veel grotere achtergrond van beschavingsgeschiedenis dan men hier, door de bank genomen, vermoedt. Men denke hier aan het koninkrijk Benin en het nabijgelegen Ife. De Beninbronskunst vult het tijdvak van 1280-1700 met kunstschatten die een ongemene uitdrukkingskracht bezitten, zij het dat ze misschien iets minder edelaardig zijn of minder klassiek aandoen dan de werken in de Ifestijl, waarvan de Beninkunst regelrecht afstamt. Het karakter van de stamgemeenschap neemt de plaats in die bij ons door de individualiteit van de kunstenaar wordt vervuld. Wij kunnen aan het handschrift onzer schilderijen aflezen wie de maker is geweest. Afrikaanse kunst kan nauwgezet gesitueerd worden naar aanleiding van het erin uitgesproken karakter van de stam. De individuele kunstenaar is niet meer, maar ook niet minderdan de spreekbuis van een groepsziel.

bronzen hoofd van een Benin heerser

De karakteristieke verschillen tussen de Afrikaanse gemeenschappen zijn groot genoeg om de bron te zijn van een enorme en gevarieerde creativiteit. Maar alhoewel men niet kan spreken van een eenvormigheid van de Afrikaanse kunst is het toch mogelijk een paar factoren aan te wijzen die zo algemeen voorkomen dat men ze als Afrikaanse karakteristiek kan laten gelden. Met wat men hier ‘natuurlijke verhoudingen’ noemt, heeft de Afrikaanse kunstenaar bitter weinig op. Vandaar mijn bezwaar om – zelfs als het gerechtvaardigd lijkt – van naturalisme te spreken. (Bij nadere beschouwing zal men altijd een stilering en typische verhouding aantreffen).

De hoofden worden met evenveel opzet vergroot, of geaccentueerd als die andere zetels van de macht, de geslachtsorganen. In deze kunst leeft dat wat men het belangrijkste vindt ten koste van het minder essentiële.

Ram Benin cultuur

Het werk heeft in het algemeen een statisch karakter. Beweging beperkt men hoogstens tot de beweging van een arm. Groepen en genretafereeltjes zijn weinig favoriet. De grootste levendigheid reserveert men in kleurlevendigheid , vorm en materiaal voor de dansmaskers.

Boven en achter deze uiterlijke kenmerken verrijst het beeld van een krachtige en ongewoon plastische Afrikaanse proportieleer, van een fascinerend en obsederend gevoel voor de ruimtelijke en tastbare werking van de dingen. Voor evenwicht en constructieve samenhang in wat men in de ruimte als beeld neerzet en waarin vormen hun plaats vinden, niet als schrale nabootsing van de natuur, maar als beeldende neerslag van een levensritme dat van het onze verschilt en in deze werken geobjecteerd, symbool en monument, wordt.

GEORGE LAMPE