Arp en Matisse in het stedelijk museum te Amsterdam

Vrij Nederland van 21 mei 1960

Het is interessant de tentoonstelling van Arp te vergelijken met die van collega’s van Matisse. Beide zijn te vinden in het Stedelijk Museum te Amsterdam, dat adembenemend levendig kruispunt van wegen die de Kunst tegenwoordig gaat. Zowel Arp als Matisse (in deze – zijn laatste – werken) hebben gestreefd naar uiterste eenvoud. De verschillen zijn echter diepgaand. Arps werk – bijna kleurloos – stelt naar mijn smaak de bonte en gezellige, zelfs feestelijke fleurigheid van de collega’s van Matisse ver in de schaduw. Ik zeg dit natuurlijk niet om de grote rol die Matisse heeft gespeeld op de manier der kritische knagelijnen te verkleinen. Iedereen weet hoe vehement hij als schilder kleurkracht kon oproepen, daarbij doorzichtig en open blijvend, terwijl zijn tekeningen op hun best een uitzonderlijk gevoelige en speelse toepassing van de lijn als uitdrukkingsmiddel vertoonden.

In zijn werk wist Matisse het onderwerp op de plaats te houden die hij er voor fixeerde, zodat het in zijn schilderijen niet meer werd dan uitgangspunt voor dingen waarin de uiteindelijke vorm werd onderworpen aan de eisen van de kleur en in zijn tekeningen aan de behoefte van lineaire vervulling van het vlak. Met zijn collega’s lijkt het me een ander geval. Ze worden voor mij niet gered door de betekenis van Matisse op ander gebied. Ze blijven er integendeel ver bij achter, niettegenstaande de verzekeringen van de catalogus dat het hier gaat om het logisch bereikte eindstation van een steeds zuiverder en hoger grijpende ontwikkeling. Men neemt dan voetstoots aan dat het tegelijkertijd om een hoogtepunt gaat. Helaas ligt het bij kunstenaars niet zo. Het samenvallen van eindpunt en hoogtepunt komt in werkelijkheid uiterst zelden voor en de hele idee daaromtrent stamt ongetwijfeld uit hetzelfde gedachtenarsenaal waaraan een tijdlang evolutietheorieën ontsproten die hoopvol tendeerden in de richting van ‘de mens de kroon der schepping’- eenvoudig gezegd, het laatste kan niet anders dan het beste zijn.

De collega’s van Matisse, waarvan men graag beweert dat ze uitingen van direct functioneel kleurgebruik zijn – anders gezegd zinvol werken met brokken kleur – verraden m.i. meer verwantschap met zijn tekeningen dan met zijn schilderijen, waarvan ze volgens suggesties van de catalogus de uiteindelijke consequentie zouden zijn. De met de schaar aangebrachte vorm, de lineaire structuur gesuggereerd door uitgespaarde ruimte, is duidelijk familie van zijn tekeningen. Zelf moet hij dat ook hebben gevoeld. Waarom sprak hij anders over ‘dessiner avec des ciseaux’? Sommige van die collega’s tonen de buitenkant van een tekenachtig meesterschap en liggen daardoor naar mijn gevoel meer in het vlak van een decoratieve bedrevenheid dan in dat van beeldende expressie. Ongeveer tegengesteld aan de catalogus – die er een autonome uitdrukkingswijze van maakt – zijn het in plaksels vertaalde tekeningen. De meest interessante zijn overigens die, waar in de vorm van het motief (b.v. een naakt) in negatief werd opgelost door uitsparing van wit tussen de als concrete vorm behandelde en in kleurvlakken omgezette omringende ruimte.

Bij een aantal van deze collega’s kon echter de idee van gefröbel op schaal van voorwereldlijke giganten niet goed kwijtraken. Ook moest ik denken aan posters en eye-catchers die het op een aan de typografie aangepaste schaal beter zouden doen.

SUBTIELER EN INTENSER

De tentoonstelling van Arp roept in betrekkelijke kleurloosheid (het is maar wat men daaronder verstaat) een wereld van tegelijkertijd subtielere en intensere spanningen op. Minder charmant, aantrekkelijk en fleurig, met een strenge neiging tot ongezelligheid, maar uiterst sensitief en soms sensueel, er is sprake van een vormenuniversum dat – mij althans – aanzienlijk meer boeit. Alleen al door het zich permanent en rakelings langs de grenzen van Dada, surrealisme en abstractie bewegen – kenmerkend voor Arp – ontstaat het beeld van een meer verfijnde, gecompliceerder tot stand gekomen structuur. Met de abstracties van zo’n 20 tot 30 jaar geleden heeft Arp de rigoureuze afwijzing van bekoorlijkheden, verleidelijke weelderigheid en spelen op sentimenten gemeen. De nadruk ligt op de strenge en voor zich zelf sprekende vorm. Anderzijds kan men hem indelen bij enkele andere figuren die merkwaardigerwijs gemeen hebben dat ze eigenlijk niet in te delen zijn. Ik doel hier op Klee, Kandinsky in zijn boeiendste tijd, en surrealisten als Miró en Max Ernst. Het gaat hier om figuren die voor de nieuwe wegen, door de naoorlogse abstracten en abstraherenden ingeslagen, van grotere betekenis zijn dan de vroegere constructivisten en technoïden. Deze verwantschap zit in Arps permanente suggestie van een organische inhoud van de vorm, waardoor een in wezen surreële sfeer ontstaat, waarbij hij zich niet heeft laten verleiden tot de paradestukken die kenmerkend zijn geworden voor het surrealisme als beweging. Het gaat bij hem om een diep geworteld besef dat natuur en kunst in wezen niet verschillen, althans niet aan elkaar zijn tegengesteld.

Hij gedraagt zich in zijn werk alsof hij de natuur de grootste kunstenaar vindt. Natuurlijk niet in de vulgaire betekenis die tot imitatie leidde omdat men vond dat de schepping toch niet te verbeteren valt. Op dezelfde grond echter vinden lieden als Arp dat men met imitatie nog verder van huis is, omdat iedere imitatie een namaak is waaraan begrip voor het essentiële ontbreekt en men zich tevreden stelt met de buitenkant. In zijn werk heeft Arp de wegen van het natuurlijk ontstaan bespied om tot een verwant vormproces te komen. De intense vormende kracht van wind, water en golfslag en de bewegende continue plasticiteit van rimpeling en glooiing van het zand onder de eindeloze ademtocht van de natuur zijn een onuitputtelijke bron van instructie voor hem geweest.

Op deze tentoonstelling spraken zijn volplastische werken mij het meest aan. Ze zijn wonderen van beheersing en mits men dit niet sentimenteel opvat: van liefde voor de vorm. Ze zijn door uiterste versobering (door middel van een minimum dus) aan een maximale uitdrukkingskracht geholpen.

Zijn reliëfs maken een minder diepe indruk, alhoewel niets typischer voor Arp is, dan deze op de grens van het twee- en het driedimensionale liggende, terughoudende wereld. De Dada en surreële elementen in zijn werk worden onderstreept door zijn titels: wolkenbloemen, geschreven flora, dromende ster, maanvrucht. Een intellectuele hartstocht is niet vreemd aan zijn werk en voegt er een extra dimensie aan toe. Tenslotte behoort hij tot de lieden die het gevoel voor ‘anti-kunst’ kennen, een voor de kunstenaars van onze tijd misschien onmisbare verdieping van de bezigheid die we verrichten. Ik kan me nooit onttrekken aan het gevoel dat de kunstenaar de walging van de kunst moet kennen, wil hij zijn werk laden met een van de trucs van charme en gezelligheid afkerige inhoud. Het hier geëxposeerde werk omvat: sculpturen, reliëfs, olieverf, tekeningen, gouaches en tapijten.

GEORGE LAMPE

Bacteria formats

Jean Arp werd als Hans Arp geboren. Zijn moeder kwam uit de Elzas en zijn vader was Duits. Hij werd geboren tijdens de periode na de Frans-Pruisische oorlog, toen het gebied bekend was als Elzas-Lotharingen, nadat het door Frankrijk aan Duitsland was teruggegeven. Na de annexatie van de Elzas door Frankrijk aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, bepaalde de Franse wet dat hij voortaan “Jean” zou gaan heten in plaats van “Hans”.Na zijn opleiding kunstnijverheid bij de École des Arts et Métiers in Straatsburg, ging Arp naar Parijs, waar hij voor het eerst gedichten publiceerde. Tussen 1905 en 1907 studeerde Arp aan de Kunstschule in Weimar in Duitsland. In 1908 ging hij terug naar Parijs om de Académie Julian te bezoeken. Vanaf 1909 woonde Arp in Zwitserland. 1912 deed hij met een serie half-figuratieve, half-abstracte tekeningen mee met de tentoonstelling van de groep Der Blaue Reiter in München en in 1913 was hij betrokken bij activiteiten van Der Sturm (zie Herwarth Walden) in Berlijn. Van het werk uit de periode tot ongeveer 1914 is niets meer over, omdat Arp het zelf heeft vernietigd. Naar het schijnt was dit expressionistisch van aard. In 1915 ontmoette hij zijn latere (1922) echtgenote Sophie Taeuber, met wie hij samen werkte aan papiercollages. Dat jaar exposeerde hij in Zwitserland ook zijn eerste abstracte werk.

Jean Arp

In 1916 richtte hij in Zürich samen met Hugo Ball, Tristan Tzara, Richard Hülsenbeck en Marcel Janco de dada-beweging op, waarbij ook Sophie Taeuber betrokken was. In 1919 richtte hij, toen weer als Hans Arp, samen met Max Ernst en de sociale activist Alfred Grunwald de Keulse vestiging van Dada op. Hij werkte daarbij ook nauw samen met Kurt Schwitters. Met Schwitters, Tristan Tzara, Raoul Hausmann en Theo en Nelly van Doesburg (zich destijds nog Pétro van Doesburg noemend) nam hij eind 1922 deel aan een dada-tournee langs de steden Jena, Dresden en Hannover. In 1925 nam Arp deel aan de eerste tentoonstelling van de surrealisten in Galerie Pierre te Parijs.

In 1926 verhuisde hij naar de Parijse voorstad Meudon en later dat jaar naar zijn geboortestad Straatsburg. Hier hielp hij zijn vrouw bij de herinrichting van amusementscentrum de Aubette. Het project was echter zo omvangrijk, dat ze de hulp van hun vriend Van Doesburg inriepen, die vervolgens ook de leiding op zich nam. Arps aandeel bestond uit twee ruimten, de American Bar en de Caveau-dancing, een cabaret- annex danszaal, in de kelders het gebouw, die hij decoreerde in zijn kenmerkende abstract-biomorphische stijl. Ook moet hij het raam in het trappenhuis ontwerpen hebben. De ‘elementaire en pre-morphische’ interieurs vielen echter niet in de smaak bij de clientèle van de Aubette en werden in nog geen tien jaar verwijderd. Zijn raam is met de rest van het trappenhuis in 2004-2006 gereconstrueerd.

In juni 1926 ontstond ook het idee om met Theo en Nelly van Doesburg ergens rond Parijs een dubbelhuis te bouwen. In maart-juni 1927 kochten ze een stuk grond op de Rue des Châtaigniers 33 in Meudon. Dit dubbelhuis Arp-Van Doesburg ging echter niet door. De Arps namen het deel van de Van Doesburgs over en bouwden er in 1928 een eigen huis, dat nu in gebruik is als Fondation Arp, musée et jardin de sculpteurs.

In 1931 brak hij met het surrealisme om een andere groep te vormen, Abstraction-Création, die een periodiek uitgaf, Transition genoemd. Gedurende de 30 jaren tot het eind van zijn leven ging hij echter ook door met het schrijven van essays en gedichten. In 1942 vluchtte hij uit zijn huis in Meudon voor de Duitse bezetting. Hij woonde in Zürich tot het eind van de oorlog.

In 1949 had Jean Arp een solotentoonstelling in New York, bij de Buchholz Gallery. In 1950, werd hij uitgenodigd om een reliëf uit te voeren voor een centrum van de Harvard University in Cambridge, Massachusetts. Verder kreeg hij opdracht, net als Karel Appel, voor een muurschildering in het UNESCO-gebouw in Parijs. In 1954 won Arp the Grote Prijs voor de Sculptuur op de Biënnale van Venetië.In 1958 werd een overzichtstentoonstelling gehouden van zijn werk in het Museum of Modern art