Kunst die piept als een accordeon

Subtitel: Nieuwe realisten in Den Haag.

Gepubliceerd: 4 Juli 1964, in Vrij Nederland.

Voor het eerst sinds jaren duidelijk het gevoel dat iets anders op gang komt. Nieuwe Realisten in Haags Gemeentemuseum. Tussen bekend en overbekend gedoe waren er natuurlijk af en toe tekenen (des tijds) van veranderende gezindheid: Bewogen Beweging, Dylaby en een Dadatentoonstelling. Dat was werk van het Stedelijk in Amsterdam, waar nu tegelijkertijd met de Haagse expositie ‘pop art’ is te zien.
Ik houd me deze keer bij het Haags Gemeentemuseum – niet om partij te kiezen in onverkwikkelijke controversen, ontstaan door gelijktijdig uitbrengen van soortgelijke tentoonstellingen – maar omdat de opzet breder is dan in Amsterdam.
Heroriëntatie op de werkelijkheid, Pop art is er maar één facet van; de blik op de totaliteit van een verschijnsel is belangrijker dan het zien van één kant ervan.

Deze heroriëntatie dwingt ons tevens de werkelijkheid, de waarheid, omtrent de situatie van de hedendaagse kunst en kritiek onder ogen te zien. B.v. het gevoel van: ‘we weten nu wel’, van matheid, bewegingloosheid, arrivance, geaccepteerdheid, verstarring, prettige esthetische patronen die geen hond meer kwaad doen, telkens als we opnieuw voor de zoveelste maal de producten van abstract expressionisme, van experimentelen, etc. aangeboden krijgen onder dekking van steeds dezelfde argumenten. Yeah, yeah, wat waren de jongens in een pril verleden krankzinnig revolutionair. Ze schamen zich niet, alles wat nu aan hun met moeite gevestigde reputaties knaagt met dezelfde waardeloze argumenten af te maken die men indertijd tegen hen richtte.
En critici die zich indertijd opwierpen als kampioenen van het erg moderne en dapper in het geweer kwamen tegen het burgerlijk verwijt over teloor laten gaan van de normen.
Waar moet dat heen, blaten sommigen n u ouwelijk, kouwelijk, verontrust constaterend dat de normen zoek zijn. De normen die ze zelf met zoveel doodsverachting hebben gefabriekt, hun eigen normen.
Er staat iets te gebeuren en er wordt een doodsklok (voor de abstractie) geluid. Vandaar: verwachting enerzijds, onbehagen anderzijds.
Begrijp me goed en waarom zou men het niet begrijpen, alles is immers voorbereid, door iedereen; dit zijn de consequenties; abstract was niet abstract meer, mocht weer ergens op lijken, werd nieuwe figuratie, werd heroriëntatie op de werkelijkheid; nu niet belangrijk gaan doen; nu gaan we verder.
Begrijp me goed, er zullen abstracte schilders blijven en sommigen van hen zullen meesterlijk zijn, als ze het in zich hebben, zoals sommige van de nieuwe realisten en pop artists meesterlijke dingen zullen maken als ze het in zich hebben.
Maar na wat nu gebeurt, zal van alles wat nu hoog genoteerd staat in een mum van tijd van gisteren worden. En het epigonisme zal opnieuw begerig met alle zuignappen open zich nestelen, vastzetten, en het nieuwe realisme van binnen uithollen, leegzuigen. En de epigonen, zij die gisteren dit deden en morgen dat proberen, die vandaag niets zijn en god weet hun kans pakken, zullen van zich doen spreken. En er zal groot tumult ontstaan tussen hen die niet los kunnen komen en hun levensbasis verdedigen en hen die zich aan het nieuwe voedingszouten weten te onttrekken omdat ze anders gebouwd zijn, anders ingericht, anders gestructureerd.
Tenslotte zal gebeuren wat steeds gebeurt: richtingen verdwijnen, het onvervangbare en onhaalbare blijft over, zonder iets te worden waarop men kan of mag steunen, want de weg voert verder.
De belangrijkheid van een beweging wordt niet verminderd door epigonen, paradoxaal, wordt erdoor bewezen. Het is de kracht van een storm die alles meetrekt. Laten de nieuwe epigonen komen. Laat men er geld tegenaan gooien, ook om rotzooi te laten zien.
Belangrijk is dat verzet tot uiting komt en broeiende kiemen zich ontwikkelen, dat intense behoefte aan andere benadering (antwoord op smeulend onbehagen) vorm krijgt, gerealiseerd wordt. Dat een ferment wordt toegevoegd, de blik opnieuw door elkaar gerammeld, geschut, getart, het bewustzijn eens te meer afgebroken wordt
De opvattingen opnieuw in beweging: dat is niet slechts een zaak van ‘kunst’, van ‘literatuur’, maar, en dat is belangrijker, van iedereen. In de massacommunicatiemiddelen botsen de opvattingen duidelijk. Men gaat anders zien anders denken, anders leven. Het gaat om een veranderd wereldbeeld, levensbesef, niet slechts om een artistiek, maar ook om een sociologisch probleem.

Bacon (met enkele vloekend reële schilderijen – denk niet aan herleving van naturalistische traditie – schimmig, vervloeiend, toch keiharde, vertegenwoordigd):

Abstracte kunst hecht aan niets … maar van n iets komt niets … .Een uitgesproken beeld is nodig om onze diepere emoties op te wekken en bovendien een mysterie van toeval en intuïtie, om ergens te creëren ….

En: De mens voelt zich achtervolgd door het mysterie van zijn bestaan en is daarom veel meer bezig met het vernieuwen en het vastleggen van zijn eigen visie op de wereld dan met het mooie feest van de beste abstracte kunst ….

Ik schreef massacommunicatiemiddelen en sociologisch probleem en kijk dan naar pop art, een begrip dat steeds veelvuldiger in recente beschouwingen opduikt. Waar leeft de mens mee, tussen en in? TV, reclame, shows, strips, ingeblikte muziek en levensmiddelen, Beatles, strip-tease, kerkdiensten, auto’s, jukeboxes, ice-creams, gebalsemde honden, de pil, slogans, angsten, lusten, covergirls, affiches, Playboy … de overvolle, ordinaire, platvloerse, heroïsche, komische, tragische, wetenschappelijke, kille en hartstochtelijke wereld waarin we leven: onze omgeving.
Pop” is een beeld van die omgeving, van onze omgeving.
De monsterachtige vergroting, pijnlijk nauwkundig, onkunstzinnig nageschilderde strip, inclusief balloon WHAAM, luchtgevecht met noodlottige afloop.

Roy Lichtenstein:

Ik ben tegen het ontsnappen aan de rechthoek van het schilderij, tegen beweging en licht, tegen het geheimzinnige, tegen ‘la belle peinture’, tegen Zen, en tegen al deze briljante ideeën van de voorgaande stromingen, die iedereen zo goed begrijpt.

Men ziet: tussen Bacon en Lichtenstein ontvouwd zich de wereld van de nieuwe realisten, veelvormig als de realiteit zelf.
Bacon: mysterie. Lichtenstein: Tegen het geheimzinnige, Lichtenstein: tegen beweging.
Maar er is ook beweging: ‘Superman 2963 A.D.’ van Bruce Lacey. Trillende handjes, ronddraaiende oogjes op steeltjes. Beweging. Reële beweging. Tinguely (Bewogen beweging, Dylaby indertijd). En van Bruce Lacey een hint (met een scheve lach) omtrent beweging: the bed-springs twang in our house.
Indiana: Pop is alles wat de kunst de laatste twintig jaar niet was. Pop is weer deel hebben aan de wereld. Het is de droom van Amerika: optimistisch, edelmoedig, naïef.

Rauschenberg, Oldenburg. In het schilderij affiches, printings; echte tafels, taarten, ice-creams, levensgroot, meer dan levensgroot, etc. Anti-kunst. Hoe haten we het versleten, kunstmatige begrip Kunst, de hijgerige, hysterische notie omtrent het kunstenaarschap, de geïsoleerde ingewijde, die zo anders is, zoveel dieper en zozeer de moeite waard. Reminiscenties aan Dada en surrealisme. Eerbetoon aan de pionier van het omarmen van de onaanzienlijke, ordinaire realiteit: het fietswiel van Duchamp (1913).
Een ander eerbetoon: Man Ray. Gerichte lectuur heeft getracht een idealistisch beeld te construeren en te dicteren van de moderne kunst; teleologisch met aan de ideële top: abstractie.
Maar realisten zijn er altijd geweest, zij het dat ze anders waren dan die van vroeger, omdat onze realiteit anders is dan die van vroeger, van beklemmende kracht. Er is ‘Silver Queen’ verzilverd houten robot met borsten, beeld van vrouw uit tijd waarin science fiction (S.F.)literatuur wordt, literatuur vervangt.
Segal: gipsafgietsel van een mens op een ordinaire echte bank, ongezellig, ‘woman in a restaurant booth’.
Rosenduist: ‘Homage to the American Hero’, geschilderd alsof een collage is nageschilderd.
Er zijn overgeschilderde collages, décollages, afgescheurde affiches, constructies, kijkdozen, juke-box is er (een robot met veel stemmen).

Ten slotte: Oldenburg:

… Ik ben vóór een kunst die in het leven zelf zijn vorm vindt, die ronddraait en zich onmogelijk ver uitstrekt en opeenstapelt en springt en druipt, en die net zo zoet en dom is als het leven zelf. Ik ben vóór een kunstenaar die verdwijnt en met een witte pet op terugkomt en dan reclameborden of gebouwen schildert.
Ik ben voor kunst die boven uit een schoorsteen komt als zwart haar en in de lucht uiteen dwarrelt. Ik voor kunst die uit de beurs van een oude man rolt, als hij door de bumper van een auto wordt afgestoten.
Ik ben voor kunst die uit een hondebek van het dak valt, vijf verdiepingen naar beneden.
Ik ben voor kunst die een kind likt, als hij er het papiertje afgedaan heeft.
Ik ben voor kunst die gerookt wordt als een sigaret of ruikt als een paar schoenen.
Ik ben voor kunst die wappert als een vlag of de neus helpt snuiten als een zakdoek.
Ik ben voor kunst die aan- en uitgetrokken wordt als een broek, die gaten vertoont, als sokken, voor kunst die gegeten wordt als een stuk taart …
Ik ben voor kunst waar je op kunt zitten…
Ik ben voor kunst die aan- en uitgeknipt kan worden als een schakelaar.
Ik ben voor kunst die zich ontvouwd als een kaart, waar je in kunt knijpen als in de arm van je meisje, of die je kunt zoenen, als een lievelingshond.
Een kunst die zich uitrekt en piept als een accordeon. Waar je bij het eten op kunt morsen, zoals op een oud tafellaken
Ik ben voor een kunst waarmee je kunt hameren, stikken, naaien, lijmen en vijlen.
Ik ben voor een kunst die de juiste tijd meedeelt en die oude dames helpt oversteken.
Ik ben voor de kunst van de rood-witte benzinepompen en flikkerende koekjesreclames.
Ik ben voor een kunst van oud gips en nieuw email.
Ik ben voor een kunst van sintel, zwarte steenkool en dode vogels.
Ik ben voor de kunst van krassen in het asfalt.
Ik ben voor de kunst van dingen te buigen en te trappen en te breken en ze om te laten vallen door aan ze te trekken.
Ik ben voor de kunst van platgezeten bananen.
Ik ben voor de kunst van ondergoed en de kunst van taxi’s.
Ik ben voor de kunst van ijshorens die je op beton laat vallen.
Ik ben voor de flikkerend kunst, die de nacht licht maakt.
Ik ben voor de vallende, spattende, wiebelende kunst en kunst die springt en uitgaat.
Ik ben voor de kunst van dikke truckbanden en zwarte ogen.
Ik ben voor Koolkunst, Seven Up-kunst, Pepsikunst, Vim-kunst, Sunkist-kunst, Omo-kunst, Roxy-kunst, 39 cent-kunst en ƒ 99,9-kunst.
Ik ben voor de witte kunst van koelkasten en hun gespierde open- en dichtgaan…
Ik ben voor de kunst van onthoofde teddyberen, ontplofte paraplu’s, stoelen met gebroken bruine botten, brandende kerstbomen, uitgebrande voetzoekers, duivebotjes en kisten met slapende mannen erin.
Ik ben voor de kunst van opgehangen, bloedige konijnen en gerimpelde kippen, tamboerijnen en plastic grammofoons en achtergelaten dozen als farao’s omwikkeld.

GEORGE LAMPE