Bazaine

Subtitel: Begrensd artistiek vermogen; Herhaling leidt tot monotonie.

Gepubliceerd in Juni 1960.

NA het Van Abbe Museum te Eindhoven brengt nu het Stedelijk Museum te Amsterdam een overzichtstentoonstelling  van de Franse schilder Bazaine, wiens naam de laatste jaren een zwakke internationale echo heeft gekregen. Men wordt dan nieuwsgierig om te zien waarmee een dergelijke groeiende faam is verdiend.

Nu moet mij helaas van het hart dat de omvang van de tentoonstelling voor mij omgekeerd evenredig was aan de interesse die het werk vermocht te wekken.

Toneelspelers; zo noemt Bazaine dit schilderij

NATUURLIJK is hier sprake van en schilder met een grote drift tot het hanteren van zijn materie; zijn productiviteit is hiervan een welsprekend bewijs. Het is ook evident dat wij hier te doen hebben met een (zij het begrensd) artistiek vermogen. Verder bezit het werk onloochenbare, echter bijna uitsluitend esthetische kwaliteiten, soms is het bijzonder mooi van coloriet. Niet te miskennen bezwaren zijn echter duidelijk voelbaar. Men kan zich soms ternauwernood onttrekken aan een gevoel van tot monotonie leidende herhaling – overdreven gezegd: als of bepaalde groepen van het werk van een groot moederdoek zijn gezaagd.

Men krijgt dan de gewaarwording eerder met een productie dan met een creatie van doen te hebben.

TE KORT SCHIETEN

AAN zo iets kan men het te kort schieten van bepaalde kunstkritische principes demonstreren. Ik doel hier op de dooddoener omtrent de identiteit van de schilder die men zo graag uit de zgn. ‘eenheid van stijl’ afleidt.

Een van de onorigineelste gemeenplaatsen is dan: ‘Hij heeft zijn vorm gevonden’. In de andere gevallen zegt men dan meesmuilend en met nauw verholen afkeuring dat ‘schilder nog zoekende is’. De realiteit toont echter dat noch veelvormigheid, noch éénvormigheid bewijskrachtig zijn in de richting van een sterke identiteit.

Picasso’s veelvormigheid toont juist heel sterk, door alle vormvariaties heen, zijn identiteit. En sommige éénvormige schilders tonen dat ook, doordat ze nooit in monotonie en stereotypie vervallen. Is dat wel het geval dan mag men van beeldende zwakte spreken, die heel wel kan samengaan met een fijne esthetische en decoratieve begaafdheid. Het is zelfs de vraag of niet in veel gevallen het laatste de bron is van de ondervoeding van de beeldende potentie.

ONTWIKKELING

IN het werk van Bazaine valt overigens een ontwikkeling waar te nemen. Die uit zich vooral in de manier waarop hij met zijn verf omspringt.  Daardoor is zijn verfoppervlak nu rijper, dieper, sappiger en meer ‘in de verf gevoeld emotioneel’. Het komt mij echter voor dat de helft van het aantal geëxposeerde werken ruimschoots voldoende zou zijn geweest. De ervaring neergelegd in de werken is onderling namelijk te weinig verschillend.

Men voelt daardoor te weinig van nieuwe en interessante ontginning. Bazaine is een schilder van het geabstraheerde landschappelijk motief. En op abstractere wijze gaat hij mank aan het zelfde euvel dat we zo dikwijls zien optreden bij zijn niet-abstracte collega, de behaaglijk doorschilderende landschapschilder pur-sang: een gebrek aan pijn en onbehagen, zonder dat het evenwel tot een felle lust komt. Het schilderij dat zo ontstaat is altijd wel op een bepaalde manier aanvaardbaar, omdat het nooit schokt. Lieden met een esthetische smaak en verlangen naar weinig meer kunnen er vrede mee hebben.

Hierdoor is verklaarbaar dat zijn latere aan het tachisme grenzende schilderijen bedenkelijk naderen tot het sterk vergrote en onduidelijk geworden detail van een ruig geschilderd impressionistisch schilderij. De vorm, die ons voor het bij abstractie zo belangrijke ‘teken’ kan stellen, ontbreekt bijna geheel, en is nog slechts terug te vinden in enkele richtingen in de verf. Soms maakt hij evenwel een bijzonder mooi schilderij (dan nog altijd met de nadruk op ‘mooi’), zoals het uit ’55 daterende ‘laag water’ het geval is. Hier heeft het schilderij meer vorm en zijn de vlekken deels tot raadselachtige en betoverend objecten geworden.

ER is een groep werken die reminiscenties oproepen aan kubisme en futurisme. Ze hebben een dynamische opzet waarvoor men niet ongevoelig kan blijven.

Men kan zich echter niet onttrekken aan de gewaarwording dat (hoewel al de schilderijen in zekere zin af zijn) het bij een gevorderde aanloop is gebleven. Steeds is men bijna aan het suggestieve, dat wat ons in het hart pakt en waarnaar wij verlangen, toe, om dan te merken dat de laatste noodzakelijke verdieping is uitgebleven. Nadat ik in Eindhoven de tentoonstelling had bekeken, sloeg ik, mij naar de uitgang begevend, een hoek om en stond plotseling voor een klein schilderij van Picasso.

Een bijna tot abstractie omgevormd stilleven in grijs, wit en zwart. Voor het eerst die middag ontving ik de onontbeerlijke schok.

 GEORGE LAMPE