Bissier: Een ‘bescheiden’ kunstenaar

Gepubliceerd: 12 December 1959 in Vrij Nederland

Ik zal trachten duidelijk te maken waarom ik het geval van Julius Bissier – een Duits schilder, die nu de weg van internationale vermaardheid gaat – een voorbeeld van overschatting vind. Daartoe zal ik niet slechts mijn eigen argumenten, maar in de eerste plaats ook die van zijn talrijke bewonderaars weergeven. Een deel daarvan komt voor zakelijke, reële discussie niet in aanmerking. Bij voorbeeld als het gaat om mystificaties zoals de heer Werner Schmalenbach ze neerpende in de inleiding tot de catalogus van de tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum. Daarin stampte hij met de subtiliteit van van een olifant platgetreden paden van het critici-jargon nog eens flink aan, door zich broederlijk in het gelid te scharen van het groeiende leger van kunst’geleerden’ die met grote woorden weinig zeggen. Op dit niveau van interessante vaagheden kan men slechts vroom accepteren en meeprevelen of met weerzin vaststellen dat zelfs de beste (laat staan de minder beste) zaken verdacht worden, doordat ze te mooi worden versierd. Bij Bissier – door aanhangers voorgesteld als een reïncarnatie van Paul Klee, met een scheut Morandi in de aderen – is het de ’Chinese wijsheid’ die het moet doen of, het nog ongrijpbaarder ‘diepste wezen van de natuur’ .

 

Chu Ta: vissen, lotus en rotsen (detail)

Julius Bissier; Doek, gesigneerd en gedateerd 2 okt. 1958; 3,5×52,5 cm

Een andere klasse van verdedigers van Bissier is voor ons belangwekkender dan de heer Schmalenbach en soortgenoten. Hun opvattingen gaan uit van een analyse van de beeldende taal van het werk en niet van de literatuur die men er om heen kan dichten. Ze beseffen dat de beeldende kunst ‘zichtbaar’ is. Zelf meestal kunstenaar, in plaats van theoreticus, weten ze dat de kracht van het werk afhankelijk is van de beeldende vermogens van de kunstenaar en niet van het boeiende van zijn levensbeschouwing. Ware het anders, dan zouden we een niet te bepalen aantal grote kunstenaars erbij hebben gehad. Het is ongeoorloofd uit Bissiers voorliefde voor het Oosten, die natuurlijk in zijn werk wel ergens terug te vinden is, een stralenkrans te bakken of te veronderstellen dat men daaruit de beeldende kracht van zijn werk kan vaststellen.

Van die zijde der aanhangers die mij de moeite van een duel waard lijken, beweert men met animo dat Bissier één de grootste levende kunstenaars is omdat hij met indrukwekkende zuiverheid en in de grootst denkbare eenvoud verhoudingen weet te scheppen tussen vorm, kleur en lijn in een zelden ervaren puurheid en strengheid. Dit gebeurt dan zonder een spoor van opzettelijkheid of effectbejag.

Iemand die het heel mooi wilde maken, beweerde dat het werk alleen maar ‘er is’, even simpel en eenvoudig als een bloem.

Hij bedoelde dat het natuurlijk gegroeid was, niet ‘gemaakt’, niet bedacht. Dergelijke formuleringen zeggen me alleen maar iets over de geest waaruit ze voorkomen. Ik denk dat er met een bloem aanzienlijk meer aan de hand is dan hier in de vreugde om een beeldschone vergelijking die alle kritiek teniet moet doen, wordt verondersteld. Overigens, dit ‘aanzienlijk meer’ mis ik in Bissiers werk evenzeer als in de door mij gewraakte ontboezeming, in Paul Klees werk echter niet. Ik vind daarom iedere gelijkstelling of vergelijking van Bissier en Paul Klee onjuist, tenzij men zich tevreden wil stellen met oppervlakkige verwantschappen, zoals voorliefde voor een klein stil formaat. De vorm-, kleur-, en materiaalfantasie van Klee zijn onnoemelijk veel groter dan van Bissier, die naast hem een lieve fröbelaar wordt, een bloedarme mooiprater. Men heeft mij tegengeworpen dat bepaalde onvolkomenheden in Klees werk bij Bissier niet denkbaar zouden zijn. Gelukkig voor Klee.

Want bij Bissier is alles zo akelig mooi, zindelijk, en in orde dat ik er alleen maar van kan rillen, maar er zeker niet in kan geloven dat het om ‘grote’ kunst gaat.

Op zich zelf zegt het niets of iemand een kleurvlek mooi weet te plaatsen en een ingeboren gevoel voor verhouding heeft. Met een aanleg voor beeldende uitdrukkingsmiddelen, met een weinig bewogen natuur en een geraffineerd zich langs de grens van de kunst bewegende smaak komt men een heel stuk. Superieure kunstnijverheid blijft altijd nog kunstnijverheid, zelfs als bijzonder verfijnde naturen er een  extra verdieping aan geven.

Het is ook geen toeval dat de interesse voor uitgebalanceerdheid en mooie kleur-vormverhouding wel een axioma geworden is voor de moderne kunstnijverheid, maar nooit van de moderne kunst. Die heeft zich altijd met geweld trachten te ontworstelen aan de zoete snoepwinkel van de esthetische ‘Feinsmeckerei’. Het besef dat de moderne kunst – zeker de abstracte – een uitspraak moet zijn, in plaats van een ogenstrelend spel, heeft niet weinig bijgedragen tot de voor niets terugdeinzend consequentie .

De belangrijke en bewogen geschiedenis van onze hedendaagse kunst zou nooit in beweging zijn gezet en zou nooit de moeite waard zijn geweest om over te schrijven als het was gegaan om de fraaiheid. Integendeel, ’t is de lelijkheid, de onafheid, de onzoetelijkheid, die soms volledig, soms partieel het moderne kunstwerk belangrijk maakt. Nooit echter het acceptabele. Lelijkheid is hier natuurlijk bedoeld als uitdrukkingsmiddel, evenals onafheid en niet als gebrek aan uitdrukking.

Dan is er de in alle toonaarden aangeheven lofzang op de onmetelijke suggestie van ruimte die Bissier zou weten te scheppen binnen het vlak van zijn ‘miniaturen’. Leegte kan men natuurlijk voor ruimte aanzien, daar wijs ik op. Men zegt dat deze schilderijtjes ‘zo groot werken’ door de manier waarop er aan gewerkt is. Dit voorzichtige gepruts met fondant en chocoladekleurtjes (inderdaad ‘mooi’), de nijvere zorg waarmee een kleurvlekje is behandeld tot een even vervloeiend randje de structuur van het doek laat doorschemeren, de weinig expressieve en gemakkelijk bereikte vorm boeien de aandacht slechts voor korte tijd.

Laten we nog eens aan Klee denken. Met een aantal materiaalexperimenten, waaruit hij de ‘vorm’ liet ontstaan, was hij één van de voorlopers van de werkelijk nieuwe ruimteopvattingen die zich langzamerhand in de abstracte en experimentele kunst hebben ontwikkeld en waar de kubisten, die toch de mond vol hadden van ‘nieuwe’ ruimteopvattingen, nog lang niet aan toe waren. Ze vertaalden de oude ruimte met nieuwe middelen. Verder gingen ze niet.

Voor een verdere ontwikkeling van de ruimteopvatting is Bissier onbelangrijk en te conservatief. Het kunstnijvere wordt hinderlijk onderstreept door de zorgvuldige manier waarop hij zijn doekjes rafelt aan de al even opzettelijk ongelijke randen, voor hij ze opplakt. Door dit pretentieus raffinement lijken ze nog meer op handwerklapjes. Er is in de kunst van onze tijd heel wat gescheurd en gerafeld. Nooit echter om de dingen mooier te maken.

Vergelijkingen met Morandi gaan al even mank. Het gaat om een mentaliteitsverschil, alhoewel Bissier ook een soort kluizenaar is. In de oplossing van het ruimteprobleem blijft hij ook bij Morandi achter, die met de geringste middelen een intense spanning in de gewaarwording van ruimte oproept. Wat de tekeningen betreft: Hierop past de lofzang op het ontbreken van gemakkelijk effect allerminst. Het fantasieloos herhaalde kunstje met een kurkafdrukje in een aantal tekeningen zegt daaromtrent meer dan genoeg. Picasso en Schwitters brachten soms de vreemdste materialen bij elkaar en maakten er iets fascinerends van. Dit gedoe met het kurkje doet me denken aan de appelstempeltjes waarmee men op moderne scholen kinderen een leuke artistieke opvoeding geeft. Ook het pover gebruik in de tekeningen van de eigenaardigheden die ontstaan door ongelijke mengingsverhoudingen in de vloeistof (water en inkt) maakt een slappe indruk. Ten slotte kan men vragen of er dan geen ‘hand’ in het werk te zien is. Welzeker. Maar iedere hand is niet krachtig, al is hij zichtbaar.

Mij kwam ter ore dat het Haags Gemeentemuseum voor een niet te verwaarlozen bedrag een werkje van Bissier heeft aangekocht. Zoiets behoort tot de plichten van museumdirecties. In hetzelfde Den Haag echter waar het museum gevestigd is, zag ik onlangs van Jaap Nanninga en bij Willem Hussem op het atelier enkele schilderijen die mij aanzienlijk meer de moeite van een aankoop waard lijken, in ieder geval zou ik er de hele tentoonstelling van Bissier (er hangt te veel) graag voor cadeau geven. Als Bissier zonder tam-tam was gebracht als de ‘grote’ kunstenaar, zou men hem zonder enige noodzaak van discussie onmiddellijk kunnen zien als een talent van hetzelfde formaat waarin hij zijn werken vervaardigt: bescheiden.

GEORGE LAMPE