Cobra en Nieuw Babylon

Subtitel: De geniale utopieën van Constant.

Gepubliceerd: 30 Oktober 1965 in Vrij nederland.

Waardoor maakt de tentoonstelling van Constant in het Haags Gemeentemuseum de indruk tot het allerbelangrijkste te behoren dat de laatst jaren getoond is? Het antwoord kan – wat mij betreft – niet anders dan uiterst subjectief uitvallen. Ik tref hier iets aan waarover ik de laatste jaren veel heb gedacht: de kunstenaar die niet ‘bête comme un peintre’ is, die niet ervan uitgaat dat zijn taak is leven binnen de vier muren van een atelier te beleven, die niet uitsluitende occupatie met kunstvervaardiging als vervulling ziet. Daarbuiten tref ik nog verbeeldingskracht, grilligheid, ordening, chaos, driftmatigheid, emotionaliteit, constructiviteit en nog meer. Ik geloof dat wat mij het meest doet, is dat het geheel ademt, leeft, begeeft in een klimaat van intelligentie.

Constant is begonnen als schilder en werd een voorname figuur in de Cobragroep. Voornamelijk als woordvoerder. Ik heb nooit het gevoel van me kunnen afzetten dat hij werd onderschat. Het is een feit dat men van hem ‘als schilder’ aanzienlijk minder hoorde dan van andere ‘Cobra’s’, terwijl men hem als ‘woordvoerder en theoreticus’ altijd graag citeerde. De overzichtstentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum heeft mij duidelijker dan ooit gemaakt dat men hem inderdaad heeft onderschat. De loze gebaren, het onintelligente meedeinen en ‘alleen maar meevloeien’, ongecontroleerd op de golven van de emotie, dat ik steeds meer als degeneratie van het abstracte expressionisme ben gaan zien, tref ik hier niet aan. Terwijl er genoeg emotie, lust, onlust, angst, vreugde en misschien zelfs hysterie aanwezig is. Het is duidelijk dat hier de doorslag geeft uit welke persoonlijke achtergrond iemands werk opkomt of tegen welke persoonlijke achtergrond hij het heeft gemaakt.

En zo kan het komen dat lieden met zeer verwante vorm, kleur- en werktrant een totaal andere indruk achterlaten. Het is natuurlijk onjuist in Constant denker, dichter, schilder etc. los van elkaar te onderscheiden. Het gaat om diverse aspecten van veelzijdige creativiteit, zijn denken evenzeer omvattend als zijn schrijven, schilderen, tekenen, construeren. Het is voor mij dan ook volkomen onmogelijk zijn Cobraschilderijen los te zien van New-Babylon. En dat niet omdat ik weet dat dezelfde man die eerst ‘zulke’ schilderijen maakte, later het Nieuwe Babylon concipieerde, of omdat dit Babylon op het eerste gezicht op schilderijen uit de Cobratijd zou lijken. Wat dit laatste betreft, is niets minder waar. Het zou zeer wel mogelijk zijn, als men de gang van zaken, de tussenschakels niet kende, de maquettes van New-Babylon, en de schilderijen uit Cobra toe te schrijven aan twee verschillende scheppers.

Wat dat betreft, geeft Constant misschien wel raadsels op. Zoals het voor menigeen niet eenvoudig zal zijn het groot aantal bijna of geheel aan elkaar tegengestelde factoren waaruit zijn creatieve persoonlijkheid is samengesteld – en die hij zonder terughouding blootgeeft – te passen in het simpele beeld, de domme mal, het schrale silhouet, waarin men zo graag ‘een persoonlijkheid’ in persvorm onderbrengt.

Wat ik bedoel, is niet dat er veel overeenkomst is tussen Cobraschilderijen en Nieuwbabylonische constructies, maar dat wat die schilderijen juist anders maakt dan die van zijn groepsgenoten, moet liggen in het zelfde vlak waaruit ook op een moment New-Babylon kon ontstaan. Een koelheid die heftige geëmotioneerdheid allerminst uitsluit en er de logheid, het zwaartillende aan ontneemt. Een speelsheid die angst noch ontzetting uitsluit, maar wel de Grand-Guignolachtige uitbuiting ervan onmogelijk maakt.

Intelligentie die beperking van de middelen zoekt en relativeert en scherpe afkeer van overtollige gebaren, overtollige expressie, dikdoen met de materie, activeert. Intelligentie die zeker in staat is te begrijpen dat economisch bedreven expressie aanzienlijk ingrijpender effect sorteert dan krachtpatserige standwerkerij. Het een maakt dat men menig grillig, fantastisch, experimenteel, abstract expressionistisch schilderij of ander werk, van mij cadeau kan krijgen voor een Constant. Waardoor komt het, vroeg ik me af, dat Constants tentoonstelling op mij zo’n enorme indruk maakt Dit hangt zeker samen met de beantwoording van een andere vraag: hoe komt het dat Constant, ondanks mijn enthousiasme tegenstrijdige reacties in mij wakker roept.

Hier het alweer uiterst subjectieve antwoord: creaties die overwinningen zijn op tegenstrijdigheden, boeien mij als die tegenstrijdigheden hun spoor hebben nagelaten, of er zelfs nog aanwezig zijn, het meest. Ze geven mij het gevoel met een grotere – menselijker –  volledigheid geconfronteerd te worden, omdat ik moeilijk aan volmaaktheid kan geloven. Wat mij in de zichtbare onvolmaaktheid, in het hart van de meeslepende creatie, doet geloven, is de extra dimensie, de geloofwaardige veerdieping van het werk die erdoor ontstaat.

Vooral als het gaat om een levenswerk – en ik neem aan dat Constant daar nu mee bezig is – is dat van de grootste betekenis. Dit levenswerk noemt Constant ‘New-Babylon’. Het is de neerslag van een totaal aan ervaringen, experimenten, leven, denken en voelen; ook aanvoelen, dromen, idealiseren, een soort ‘Jules Verne zijn’, science fiction op hoog creatief niveau, vooruitzien en kennisnemen van onderzoekingen omtrent maatschappelijke, economische etc. processen waarbij men in de brede massa niet stilstaat, waarvan men zelfs geen ‘blasse Ahnung’ heeft.

Het is creatief verwerken van een, door een steeds technologischer en technocratischer trend in de maatschappelijke ontwikkeling, gestimuleerde cultuurfilosofie en cultuur-utopie. En dan bedoel ik met creatief verwerken: het ruimtelijk en zichtbaar maken van de daaraan voorafgaande creatieve fase: de geboorte van de idee, het creatieve in het denken, waarvan het intelligente de verbinding is met het gevoel. Dat is iets heel anders dan denken voor zover het alleen maar verstand betreft: zelden een creatieve aangelegenheid.

Het gaat om een gefascineerd geraakt zijn door de essentiële betekenis van het creatieve voor de mens en wat ermee zal gebeuren in een bestaan dat onherroepelijk in zijn vormen steeds meer bepaald zal worden door automatisering, door computers. Door robots die, zoals bekend, de mens het werk uit handen nemen, waardoor hij de handen vol werk met of aan zich zelf krijgt.

ARBEIDSLOOS

Dit is niet slechts een zaak voor sociologen, psychologen en psychiaters (alhoewel het dat, voor mijn gevoel, in die nog nauwelijks omlijnde toekomst, best eens hoofdzakelijk zou kunnen worden), maar volgens Constant ook voor de kunstenaar, tenminste in dit stadium van de ontwikkeling. Want, zoals hij het ziet, zal het (volgens hem) ooit aanbrekende ‘arbeidsloze’ tijdperk, als niet de mens voor zijn bestaan vecht, maar machines dat voor hem doen, het enige dat hem overblijft, zijn creativiteit zijn om het leven mee te vullen op zinvolle wijze. Op zichzelf is dit natuurlijk een gedachtegang die vrij logisch ligt.

Als men zijn creatieve vermogens niet meer hoeft te verliezen door omzetting van energie in de strijd om het dagelijkse broodje, kan men inderdaad denken dat er met al die braakliggende creativiteit heel wat kan gebeuren. Een dergelijke maatschappij, die van homo ludens, de spelende mens, ziet Constant dan ook bestaand uit lieden waarbij het verschil tussen kunstenaars en niet-kunstenaars is opgeheven. Het probleem doet zich overigens al voor.

Alhoewel we van het arbeidsloze tijdperk ver verwijderd zijn, is het toch al duidelijk dat de creativiteit al lang een probleem is geworden van een omvang waarmee sociologen zich bezighouden. Men praat nog steeds over vrijetijdsbesteding en recreatie. Maar als er inderdaad nog meer vrije tijd en comfort komen, wordt die terminologie nog aftandser dan ze nu al is.

Buitendien is het zo dat de oorspronkelijke grenzen tussen kunstenaars, amateurs en ‘zo maar wat makende’ mensen al aardig brokkelig worden, vervagen en soms helemaal verdwenen zijn. Het is zeker dat een aantal mensen die men tegenwoordig kunstenaars noemt, vijftig jaar geleden nooit zo zouden zijn genoemd. Het is zeker dat door allerlei veranderingen in de kunst allerlei personen creatief te werk kunnen gaan die vroeger nooit aan bod kwamen. Tenslotte is de hele ontwikkeling van de discussie rond de ‘anti-kunst’ een bewijs ervoor dat de grenzen verschuiven.

Constant ziet het niet zo dat de arbeidsloze maatschappij spanningsloos zal zijn. De spanning die tegelijkertijd met het verdwijnen van het traditionele arbeidsproces zal wegvallen als verwerker van emotionele behoeften, zal gezocht worden door de Nieuwbabyloniërs in het avontuur, het scheppen van nieuw leven, zodat leven een nieuw soort kunst wordt, bedreven door nomadiserende wereldbewoners die een permanente ‘happening’ verwekken.

Wereldbewoners, omdat New-Babylon geen grenzen kent, een wereldomsluitende, een 16 meter boven de grond zwevend, zich almaar uitbreidend en van vorm veranderend netwerk zal zijn, waarin buiten de afhankelijkheid van het arbeidsproces ook de afhankelijkheid van de natuur, van zon, warmte, kou, regen etc. niet meer zal bestaan. Alles zal naar wens bespeelbaar, regelbaar, verschuifbaar, aanpasbaar zijn. De omgeving van homo ludens, de spelende mens.

Wat betreft het aandeel ‘science –fiction’ erin, moeten we voorzichtig zijn. Brave lieden mogen verwonderd zijn, als ze lezen wat computers allemaal kunnen doen of over ruimtevaart, dat neemt niet weg dat die dingen er zijn en met de dag hun invloed meer zullen laten voelen.

Er zijn buitendien al rapporten bekend over de invloed van ‘denkende’ automaten op de uitschakeling van de mens bij het arbeidsproces. Het utopische en daardoor bij zoveel intelligentie zo tegenstrijdige – en daardoor voor mij misschien overtuigend menselijke – ligt voor mij in die ‘ludische’, die ‘spelende’ mens.

Ik ruik iets van de bij maatschappelijke idealisten gebruikelijke negatie van de realiteit van de overigens niet te bepalen menselijke natuur. Het is ongetwijfeld zo, dat in een arbeidsloze maatschappij, de mens iets zal gaan doen, barstens vol zal zitten met wat hij moeilijk anders kwijt kan dan in het avontuur van een soort happeningleven.

Alhoewel het de vraag is of hij ooit een levenskunstenaar zal worden, is het zeker dat het het beste is wat men hem zou kunnen aanraden. In ieder geval zou de maatschappij hem met een daartoe geschikte vorm moeten helpen. Ik moet zeggen: een grootse gedachte, een onafzienbare gedachtenwereld.

NETWERK

Een schepping, een soort kunstwerk van de gedachte op zich zelf, voorzien van modellen en maquettes door de vader van die gedachte. Misschien – als men zegt: de wens is de vader van de gedachte – het enige waarin de kunst van Constant kan uitmonden als hij het totaal aan ideeën, vormen, gedachten, gevoelens die zijn ingewikkelde en geniale persoonlijkheid beheersen, in één vorm wil totaliseren.

Een vorm die niet genoeg heeft aan een schilderij, grafiek, een bouwwerk, een stedenbouwkundig plan, maar die alleen maar bevredigend kan functioneren als netwerk dat de gehele wereld omsluit en waarin alle factoren die onze wereld, de mensenwereld van binnen en van buiten samenstellen een niet van te voren vast te stellen plaats krijgen: plaats voor vrijheid, voor individuele ontwikkeling.

Daarin kan, als iedereen creëert, kunst niet meer een particuliere zaak zijn. Dat is de consequentie van het leven tot een kunst maken, waarin de vrije individuele ontwikkeling op gang komt. Want leven tot kunst maken is een gezamenlijk werk. Utopisch is het negeren – maar wie een kunstwerk maakt, moet soms eenzijdig worden, iets kappen, oogkleppen aandoen – van andere dan ‘spelende’ mogelijkheden. Tenzij men misschien aanneemt dat het wegvallen van spanningen en frustraties, verwekt door de maatschappijvorm waarin wij leven, ook agressiviteit doet verdwijnen.

Het is echter de vraag of frustraties alleen maar te zien zijn als reacties op een omgeving en of er misschien niet, afgezien van iedere omgeving, iets in mensen zit dat zich uit als het oproepen van frustraties. Tenslotte is zo dat de frustrerende maatschappij, hoezeer die misschien bijna autonome dwangmatige wetten mag oproepen, uit mensen tevoorschijn is gekomen. Dat er ook weer mensen uit de maatschappij tevoorschijn komen, verandert daar weinig aan. In ieder geval moet de maatschappij, die Constant, althans vormelijk, wil mogelijk maken niet slechts arbeidsloos, maar tevens ‘oorlogsloos’ en ‘achtergebleven gebiedenloos’ zijn. Het is buitendien de vraag of het ontbreken van een tegenspanning de creativiteit goed doet.

Het is duidelijk dat de ‘diepte’ van een aantal belangrijke creaties, hun ‘veelzeggendheid’ ondenkbaar is zonder een veld van tegenspanning, van onbehagen, van beschadiging, van vernietiging, van verdriet, van ellende. Men zal dus misschien ook moeten gaan denken aan een samenleving waarin de ‘diepte’ van de ervaring vervangen wordt door een vervlakte algemene speelsheid. Dat lijkt mij althans één van de weinig boeiende consequenties. Het lijkt mij ook niet ondenkbaar dat een dergelijke maatschappij nieuwe vormen van neurose en psychose zou opwekken, die misschien wel in tegenspraak met het ‘spelkarakter’ zouden komen. Een feit is dat het toenemen van vrije tijd en comfort neurotisering niet altijd verminderen, maar soms danig bevorderen, sinds het gezin en het huis in geen enkel opzicht meer als productiecentrum kunnen worden gezien.

Dit kan natuurlijk komen doordat de veranderende maatschappij zelden begint met nieuwe bruikbare uitwijkmogelijkheden te bieden. Allerwege is men al bezig hieraan vanuit de creatieve sector te sleutelen en te doen. En wat dat betreft zijn de resultaten niet zonder hoop. Het probleem is echter ook daarin de diepte van de betekenis:

creativiteit uitgesmeerd over een breed vlak, tallozen betrekkelijk gelukkiger makend en bezighoudend; of creativiteit geconcentreerd, de ontlading van enkelen, vol betekenis voor anderen, soms, aanvankelijk, voor enkele anderen.

Maar als we toch zo ver kijken: misschien zijn we bezig aan de ontwikkeling van het een zowel als van het ander. Een dergelijke beschouwing is misschien ongebruikelijk naar aanleiding van een ‘kunst’ tentoonstelling. Men zal er echter aan moeten wennen, sinds de grenzen van kunst en leven door elkaar schuiven en het geen wet van Meden en Perzen meer is dat kunstenaars zich met ‘esthetiek-en-alleen-maar esthetiek’ dienen bezig te houden. Hun functie kan wijder zijn.

Het is belachelijk te denken dat de unieke menselijke gedachte- en gevoelswereld, gecompliceerd, grillig, meesterlijk, knap, schokkend, gespleten, doordringend, verklarend, verduisterend buiten de functies van de kunst zou moeten blijven. Kunst kan er alleen maar bij winnen. New-Babylon, naast de schilderijen, gepresenteerd in zwevende maquettes en verduidelijkende constructies, is een fantastisch kunstwerk. Men treft er veel in aan dat in het gebied van de moderne kunst hier en daar en overal en dikwijls te zien is geweest. Het is alleen nooit te zien geweest als New-Babylon.

In deze nieuwe context verliest het een en ander echter al zijn hinderlijke pretentieusheid. Want het overkomt ons toch maar dikwijls dat we ten slotte, ondanks alle eraan opgehangen theorie, niet veel meer zien dan superieure etaleurskunst. In dit geval is daar geen sprake van. De gecompliceerde, doorvoelde, door geniale gedachtesprongen doorkruiste en verdiepte gedachte- en gevoelswereld waaruit deze vormen opdoemen en tot ruimtelijkheid komen heeft weinig te maken met artistieke theosofie, sektarisme, gevoeligheidskransjes.

Het doet een beetje denken aan de geniale werkzaamheid van mensen die opeens een totaal wereldbeeld ontwerpen, een universele visie of die nu juist; gedeeltelijk juist of volslagen onjuist is. We staan dan voor een fascinerend werk, waarvan de werkelijke toepasselijkheid pas later gemeten kan worden, maar waarin altijd de kern zit van revolutionaire vernieuwing.

Op de een of andere wijze zijn soortgelijke dingen gebeurd met en door Darwin, Freud etc. op ander gebied. Zo moet men dan ook New-Babylon niet zien als de maquette van de wereldomspannende stad, met de juiste gegevens voor bouwwijze etc. . Het is de maquette voor een basisprincipe voor ‘als het ooit zo ver zou komen’. De techniek, de materialen, de precisering zullen afhangen van de dan te constateren stand van de techniek, wetenschap en de dan aanwezige materialen en mensen en gedachten.

Als ik het voorlopig als een kunstwerk zie – kunstwerken kunnen voorafbespiegelingen bevatten – en als ik een kunstwerk op geheel andere wijze als maquette mag zien, veruiterlijkte maquette van de structuur van zijn maker, dan is dit de maquette van de ‘homo ludens Constant’.

 

GEORGE LAMPE

 

Constant Nieuwenhuys (1920-2005) vormt samen met onder anderen Karel Appel en Corneille de Nederlandse component van het wereldberoemde Cobra. In 1956 slaat Constant een andere weg in. Hij keert de schilderkunst de rug toe en stort zich vol overgave op een groots architectonisch en urbanistisch project: New Babylon. In maquettes, tekeningen, films, grafiek en manifesten verbeeldt hij zijn ideeën over een moderne en vooruitstrevende samenleving. Dankzij aankopen in de jaren zeventig en belangrijke schenkingen van de kunstenaar, beheert het Gemeentemuseum Den Haag de grootste collectie werken van New Babylon ter wereld.

Utopie

In de jaren vijftig van de twintigste eeuw verandert de maatschappij aanzienlijk. Fabrieken automatiseren veel van hun processen en de welvaart neemt langzaam toe. Het auto- en vliegverkeer groeit waardoor mensen zich steeds gemakkelijker, sneller en verder kunnen verplaatsen. Door een nieuwe balans tussen werk en vrije tijd krijgen mensen meer ruimte voor zelfontwikkeling. Door deze maatschappelijke ontwikkelingen is een nieuwe inrichting van de wereld volgens Constant noodzakelijk.

New Babylon

Met zijn utopische New Babylon creëert hij een ideale wereldwijde stad van de toekomst waarin dynamiek centraal staat en waar ‘verticaal’ geleefd wordt. Zijn flexibel in te richten gebouwen bestaan uit op pilaren gebouwde, netvormige structuren die zich uitstrekken over Europa. Deze structuren bestaan uit verschillende sectoren met meerdere niveaus waartussen de mens zich te voet en met liften beweegt. Klimaat, lucht en licht worden kunstmatig geregeld. Onder de gebouwen door rijden auto’s, bussen en vrachtwagens. Op het dak is er ruimte voor voetgangers, groene wandelpromenades en landingsbanen voor vliegverkeer.

Homo Ludens

Constant gaat met New Babylon uit van een alternatieve, volledig geautomatiseerde maatschappij, waarin arbeid overbodig is geworden. Hierdoor is de mens vrij om zich volledig te richten op het ontwikkelen van creatieve ideeën. De bewoner van New Babylon, de Homo Ludens (de spelende mens), bepaalt zelf het steeds veranderende uiterlijk van zijn leefomgeving zonder beperkingen of grenzen. Omdat de mens in het dagelijks leven alle ruimte heeft om zich creatief te uiten, zal de noodzaak kunst te maken verdwijnen. De autonome kunstdisciplines –schilder- en beeldhouwkunst, dans en theater – gaan op in het spel van het scheppen van het leven zelf.

 

Zie ook afzonderlijke artikel: ‘New Babylon, the hyper-architecture of desire’ http://www.classic.archined.nl/news/9812/Babylon.html

http://www.classic.archined.nl/news/9812/Babylon.html

New Babylon, the hyper-architecture of desire
8 december 1998

Groep sectoren, 1959
coll. Haags gemeentemusuem

Ruim twintig jaar werkte Constant Nieuwenhuis aan de uitwerking van zijn utopie Nieuw Babylon. Constant publiceerde de eerste schetsen voor wat later Nieuw Babylon zou worden reeds in 1949. Pas twaalf jaar later werd het werk voor het eerst tentoongesteld. Voor het eerst sinds lange tijd zijn de resultaten van Constants inspanning weer in hun volle omvang te zien. Tot 11 januari is in het Rotterdamse Witte de With een indrukwekkende hoeveelheid modellen, tekeningen, litho’s, etsen en schilderijen van en over Nieuw Babylon bijeen gebracht.

De realisatiemogelijkheid van Nieuw Babylon steunt op twee aannames: de socialisatie van de bodem en volledige automatisering van de productie. Constant zegt hier begin jaren zestig over: ”De vraag, hoe de mensen zouden leven in een maatschappij zonder honger, zonder uitbuiting, en ook zonder arbeid, in een maatschappij dus waarin ieder mens zonder uitzondering zijn creativiteit volledig zou kunnen ontplooien, deze belangrijke en intrigerende vraag, roept het beeld op van een materiële omgeving die wezenlijk verschilt van alles wat wij kunnen, van alles wat er ooit op het gebied van architectuur en stedenbouw tot stand is gekomen”. In Nieuw Babylon hoeft de mens niet meer te werken, in deze nieuwe maatschappij leiden de bewoners een nomadisch bestaan en kan de mens – in overeenstemming met zijn verlangens – tot zijn recht komen als scheppend wezen; hij wordt een homo ludens.

Hangende dextor, 1960
coll. Haags Gemeentemuseum

Constant stelt Nieuw Babylon voor als een netwerk. Als een keten van eenheden die zich grotendeels 15 tot 20 meter boven de grond bevinden. Deze basiseenheden, de zogenaamde sectoren, zijn constructief zelfstandig en komen over de bestaande stad te liggen. Na verloop van tijd groeien de sectoren naar elkaar en maken zo de traditionele woongebieden overbodig. Het aardoppervlak bestaat vooral uit onbebouwde ruimten, bedoelt voor landbouw, natuurreservaten en voor bossen en parken maar biedt ook plaats aan verkeerswegen, de volledig geautomatiseerde productiecentra en andere objecten waarvoor geen plaats is binnen de sectoren.

Constant noemt als voorbeelden van deze objecten: zendmasten, boortorens en historische monumenten.

Omdat een nomadisch en creatieve levenswijze een zo groot mogelijk onafhankelijkheid van materiele beslommeringen vereist, dienen in de sectoren uitgebreide collectieve voorzieningen aanwezig te zijn. Binnen een sector zouden die ongeveer 70% van de leefruimte uitmaken. Hoewel de basisstructuur zelf niet makkelijk te veranderen is vanwege de afmetingen en de plaats binnen het netwerk, is binnenin een sector in principe alles mogelijk, juist vanwege de afmetingen van de basisstructuur. Om de variabiliteit mogelijk te maken, pleit Constant voor neutrale structuren, normalisering in maatvoering en standaardisatie van productie.

Orient sector, 1959
coll. Haags Gemeentemuseum

Het is niet verwonderlijk dat Nieuw Babylon in de jaren vijftig en zestig kon ontstaan en is ontwikkeld. Het was in die jaren dat er een beweging groeide die zich afkeerde van de gangbare modernistische opvattingen over architectuur en stedenbouw. Sommige architecten, stedenbouwkundige en kunstenaars, zoals Constant, koppelden deze opvattingen aan uitgesproken politieke opvattingen, die doorgaans een afwijzing van de consumptiemaatschappij inhielden. Een belangrijke impuls in deze richting was de tijdelijke aansluiting van Constant bij de Situationistische Internationale van rond Guy Debord.

Bovenstaande verklaart (deels) de hernieuwde interesse in Nieuw Babylon. De discussies die nu spelen richten zich, net als in Constants tijd, op het afzetten tegen een bepaald planningsmodel. Opnieuw wordt de vraag gesteld naar de rol van de bewoner en die van de architect binnen het bouwproces. En wordt er weer gesproken over de betekenis van het begrip sociale ruimte. Daarnaast blijft het verhaal van de nomadische homo ludens tot de verbeelding spreken. Wat Nieuw Babylon echter zo aantrekkelijk en inspirerend maakt, is de politieke component, de maatschappelijke betrokkenheid. Deze component lijkt nu vaak te ontbreekt, van het idee Nieuw Babylon wordt alleen de vormentaal overgenomen om verder verwerkt te worden. De tentoonstelling bevestigt dit vermoeden. De overweldigende hoeveelheid materiaal wordt fraai tentoongesteld maar enige toelichting bij het materiaal ontbreekt.

Dit wordt waarschijnlijk meer dan goed gemaakt in het begeleidende boek ‘New Babylon – the Hyperarchitecture of Desire’ dat onder redactie van Mark Wigley gelijktijdig met de tentoonstelling verschijnt.
Het boek, dat helaas bij de opening nog niet gereed was, zal nu maandag 14 december a.s. om 18.00 uur in Witte de With aan Constant worden aangeboden.

Marina van den Bergen