Dubuffet in het prentenkabinet van Het Stedelijk Museum van Amsterdam

IN Amsterdam spoedde ik me naar de voorbezichtiging van Dubuffets grafisch werk in het prentenkabinet van het Stedelijk Museum. Ik kwam er deels geïntrigeerd, deels teleurgesteld weer uit.

Ik herinner me van Dubuffet prachtige schilderijen, fascinerend door vreemde landschappelijke structuren in de verte familie van de surreële visioenen van Max Ernst. Zijn gehele werk, dus ook de grafiek, dient men te zien als een onderneming, er op uit, beeldende betekenis natuurlijk te laten ontstaan uit de al evenzeer natuurlijke eigenschappen en mogelijkheden van het materiaal.

De nadruk ligt hier op ontstaan en niet op maken en dientengevolge ook niet op zindelijke perfectie, maar op voor de fantasie aanstekelijke ‘vormsels’, afzettingen, erosies, wars van elk pretentieus kunstzinnig gepsalmodieër. Er zit iets in van anti-kunst, gelukkig.

Dit houdt echter tevens in dat sommige dingen die geëxposeerd worden het niveau van beeldende kunst in de verste verte niet bereiken, zoals op deze grafische tentoonstelling het geval is. Het voordeel van zo’n werkwijze is dat een kunstwerk nooit ‘dank zij’ maar als het moet ‘ondanks’ ontstaat, een pleidooi voor het werk en voor de maker, die het versmaadt ons te verblinden met de briljante trucs van geaccepteerde knapheid.

Men moet dan, zoals hier, een aantal werken die men als ‘niet-meer’ kan zien, dan weinig geslaagde ontwerpen voor confetti-linoleum, maar op de koop toenemen.

Voor Dubuffet zullen ze de grootste betekenis hebben in een boeiend structuuronderzoek middels grafische materialen en naar de mogelijke en onmogelijke dingen die men er mee kan uitspoken. Ongetwijfeld komen ze als resultaat een keer terecht in andere werken, zodat een momenteel onduidelijke betekenis dan verklaard wordt.

Overigens zegt Dubuffet fijne dingen, zoals het volgende: (Antwoord aan Herbert Read onder de titel “Non Merci’ in ‘Lettres Nouvelles’, no. 8 1959)

Ik ben volstrekt tegen het uitreiken van beloningen en tegen het begrip verdienste, wanneer het wordt toegepast op de kunst.

De ware taak van de kunst is anarchistisch; haar ware aard is zodanig, dat het rechtmatig zou zijn haar te verbieden en te vervolgen en zeker niet haar aan te moedigen met giften.

Zou men ooit kampioenschappen en gratificaties toekennen aan dronkaards of gekken in gestichten? Zou dat niet volkomen ongepast en absurd zijn?

Als uw jury er op uit was (en zo zou het moeten zijn) het ernstig anarchistisch karakter van een werk op te sporen en te straffen met tien jaar gevangenis, dan zou het misschien bij me opkomen dat ik enige kans maak en dan zou ik het een eer vinden erbij te horen, maar twee miljoen lire, dat nooit!

Dat is een wanbegrip dat me de haren te berge doet rijzen. Mijn werk hoort niet thuis in een dergelijke competitie’

GEORGE LAMPE