Elegante labyrinten van Hundertwasser

Gepubliceerd: 28 November 1964 in Vrij Nederland.

Gedachten na het zien van Hundertwasser (in het Stedelijk, A’dam). Hundertwasser wordt tegenwoordig – eigenlijk sinds betrekkelijk korte tijd – hoog geroemd. Niet ten onrechte.

Als men over kwaliteitsschilderijen wil spreken, kan men het zonder twijfel over zijn werk hebben. Kwaliteit is daarin in talloze opzichten aanwezig. In de kleur, in de vorm, in de behandeling van verf, in de toepassing van goud, in de manier waarop een fel – maar uiterst verfijnd – groen tegen het sprookjesachtigste rood is geplaatst, de kleuren van helder water, regen, nat gras of ook wel uit het kleurarsenaal van een bonte volkskunst, uiterst tere labyrinten, kleurige hersenmassa’s, doorsneden van walnoten, stromingsgebieden in water, de blauwste hemel.

De schilderijen zijn in geen enkel opzicht abstract bedoeld. Hun bedoeling wordt, zij het niet gedekt, dan toch wel ondersteund door titels, die op de fantasie gaan werken en het ‘märchenhafte’, het fantasmagorisch, het mystische en ingtische suggereren. Dikwijls in speelse zin.

Het regent gras, de toren van Babel doorboort de zon, etc.. Zij zijn niet abstract bedoeld, maar werken zeer abstract, omdat het allemaal enorm decoratief is; vlak, maar dan niet in ongunstige zin. Sierend.

Zo ongemerkt heb ik een aantal dingen gezegd die in algemene zin voor het werk pleiten, maar waar ik persoonlijk veel op tegen heb. Ik herken en erken de kwaliteiten van het werk, omdat ze niet gering zijn en zelden in een dergelijke combinatie – elkaar versterkend – voorkomen.

Ik moet echter bekennen dat het idee ‘kwaliteitsschilderij’ me op de een of andere manier niet meer ligt. Waarschijnlijk omdat ik daarbij te kinderlijk moet denken aan het betasten en bekijken van coupons in de stoffenafdeling van een dure zaak. Ik moet ook bekennen dat de tentoonstelling me tegenviel. Dat ligt aan mij en mijn argumenten hoeven de uwe niet te zijn. Ik denk aan te hoog gespannen verwachtingen, te veel publiciteit, het raketachtig omhoogschieten van de ‘Hundertwasser-ster’. Het zien van enkele dingen, een tijd geleden, fenomenaal in hun soort.

Hundertwasser

Aan de indruk van reeksen kleurige, bijzonder mooie, maar ook bijzonder bedrieglijke reproducties. Want: is wat het in een boek zo goed doet, inderdaad zo goed, of gaat het om de verborgen verleiding van het zalig typografisch ingebed zijn; de betovering van het kleurig plaatjesboek. De huidige, moderne regressie in de infantibiliteit van het prentenboek.

En: wat moet men zeggen? Dat een schilder groot is als men een enkel groot ding van hem gezien heeft?

Of dient men uit te gaan van de totaliteit van een œuvre? Ik ben – inconsequent genoeg – geneigd de vraag , de ene keer zus, de andere keer zo, te beantwoorden.

Want soms is dat ene grote ding in een brokkelig en haveloos œuvre precies dat wat er aan verwachting, door de rest, gewekt is; terwijl soms het ene grote ding in een smetteloos, maar minder gehavend, œuvre op de keper beschouwd niet meer is dan het summum van vlekkeloosheid; volgens sommigen: het mooiste ter wereld, een toestand van heiligheid.

Hundertwasser

Hier moet ik helaas verwerpelijk subjectief worden. Ik houd meer van brokkelige dan van smetteloze grootheid. Als ik nu zeg dat het de fijnzinnigheid, de damesachtige verfijning van Hundertwassers œuvre is die mij niet geheel zint, mag het niet verwonderen dat die ‘kwaliteit’ mij in zijn grote dingen (bedoel niet formaat) eveneens een bedenking oplevert.

Ter verduidelijking: een in Bacons œuvre minder ‘groot’ stuk, is voor mij groter dan het grootste van Hundertwasser.

Wie het niet eens is , mag zeggen dat over smaken niet valt te twisten; alhoewel ik het daarmee niet eens ben.

Ik ga nu dat beruchte tweeslachtige verhaal over kunst schrijven waarin men liefkoost en slaat tegelijk. Want ondanks mijn bezwaren wil ik graag staande houden, dat ik het echt prachtig werk vind, echt ‘mooi’.

Maar tegelijkertijd bespeur ik iets van overschatting. Al deze fijnzinnige labyrinten, soms labyrint op zich zelf, soms echter kleurige zenuwknopen, blootgelegd in hoofdjes, of op hoofdjes geschilderd, als een soort tatoeërpatroon van Indianen.

Al deze stromen, strengen, zijn geschilderd met een ongeëvenaarde werklust, met aandacht. Maar ook met een raffinement dat geenszins detoneert bij recente anekdotes die men over Hundertwasser hoort en die als hoofdzakelijke inhoud hebben: een overbewust raffinement, waarin Hundertwasser een meesterlijk ‘versierder’ blijkt te kunnen zijn.

Begrijp goed dat ik het onjuist vind kunst via anekdotes te behandelen. Men dient schilderijen als zodanig te bekijken. Men dient ze dan echter ook te lezen.

Paul Klee

In dat geval gaat het om de plaats van de anekdote in dat ‘lezen’. De anekdote kan dan verduidelijken. Nooit uitgangspunt zijn. En aan de tweeslachtigheid waarover ik hierboven schreef, kan men moeilijk ontkomen als men op diepere analyse uit is. Zeker niet als groot talent, meesterlijke realisering en verbijsterend raffinement ten volle worden erkent, maar tevens worden opgewogen tegen betekenis. Het gaat nu eenmaal niet om dingen die per se samengaan. Het werk ziend moet men denken aan Paul Klee. Op een manier waardoor het werk ondanks jeugdige datum, niet aandoet als vallend in de recente behoefte aan realiteitsbenadering

Over de ‘kwaliteit’ zegt dat niets – in schilderkunstige zin althans. Maar het zegt wel wat omtrent de erin geïnvesteerde visie. Daarbij is Klee, in deze vergelijking, vreemder, een groter onbekende en daardoor merkwaardigerwijs voor de recente gebeurtenissen van ingrijpender betekenis dan Hundertwasser. Hij laat meer mogelijkheden open. De toestand van zijn bladen, nerven, zenuwstelsels, structuren is nerveuzer, gekwelder, geïrriteerder, heeft meer reële betekenis en is in wezen minder bont, volkskunstachtig, minder sierend, of, is inderdaad magischer.

Toevalligerwijs zag ik vlak voor mijn bezoek aan de tentoonstelling de film: Het kabinet van dr. Caligari. Een bizar meesterwerk van de voorheen zo beroemde en in dit geval expressionistische Duitse filmkunst, zeer sterk het labyrintische stempel van zijn tijd dragend.

Een vergelijking ligt mij voor de hand. Omdat men Hundertwasser met voorliefde behandelt als een moderne nabloei van de Jugendstil.

Nu staan Jugendstil en expressionisme geenszins los van elkaar. En dat is in de Caligari-film duidelijk merkbaar. Maar zo iets is ook te zien in de beeldende kunst in gevallen waar het typische Jugendstil-klimaat verandert in expressionistisch rampgebied.

Die mogelijkheid ligt voor de hand. In de Jugendstil slingeren lijnen. Beweging over het oppervlak. Maar wat voor beweging? Geen krachtige innerlijke bewogenheid – als het typisch om Jugendstil gaat – maar sierende bewegingen van de ‘Schöngeisterei’. Een soort bekoorlijk, maar toch vergeestelijkt, draaien met het gatje.

Er zijn natuurlijk uitzonderingen aanwijsbaar. Schiele bijvoorbeeld. Maar die bewegen zich dan ook snel in expressieve richting, De bewegende lijnen van de Jugendstil worden in het expressionisme zo heftig volgepompt met emotie, dat ze breken, brokkelig worstelen, dreigend, bezeten. Zo iets ziet men in de beeldopbouw van de Caligari-film.

Zo iets ziet men niet bij Hundertwasser. Daarom is de vergelijking met Jugendstil, wat zijn werk betreft, niet eens zo gek. Alhoewel erg voor de hand liggend. Hundertwasser: Oostenrijker. De grote Jugendstil-man Klimt: Oostenrijker. En nu maar zoeken naar verwante (sierende) patronen in beider werk.

Ik ben me ervan bewust met deze uiteenzetting een vat vol tegenstrijdigheden te hebben aangeboden, Maar zo is nu eenmaal de manier waarop men denkt.

Mijn wantrouwen t.o.v. gladgeschaafde formuleringen en gave gehelen slaat zijn wortels steeds dieper, vooral als het gaat om het werkelijk neerschrijven van ‘hoe men denkt en hoe men kijkt’- en ‘hoe men schildert’.

GEORGE LAMPE