Tentoonstelling van Yves Klein en Martial Raysse

Subtitel: Opmerkingen n.a.v. de tentoonstelling van Yves Klein en Martial Raysse in het Stedelijk Museum te Amsterdam.

Gepubliseerd: 20 November 1965 in Vrij Nederland.

YVES KLEIN: ‘In de laatste tijd ben ik bijzonder enthousiast geworden voor de ‘slechte smaak’. Diep in mij ben ik overtuigd dat daar, in het wezen van de slechte smaak, een kracht schuilt die in staat is dingen te creëren die wat men ‘het kunstwerk’ pleegt te noemen, ver te buiten gaan. Ik wil spelen met de menselijke sentimentaliteit, met de menselijke morbiditeit, koel en verwoed spelen. Het is nog maar sinds kort dat ik een soort doodgraver van de kunst ben geworden (merkwaardig genoeg zijn dit precies de woorden die mijn vijanden gebruiken)’.

MARTIAL RAYSSE: ‘Het enige wat kunstenaars op de machine of op de talloze half artistieke werelden die zich van de werelden bedienen, voor hebben, is dat zij, hoe dan ook, de dingen altijd veel slechter doen – omkering van de polen, de vernietiging zelf, dat is hun terrein. Deze idee voegde zich bij mijn voorliefde voor slechte schilders – in hun onhandigheid ligt iets ontroerends, want op zoek naar echte emotie zondigen zij tegen alle regels van het spel. Ik heb het leven tenslotte gevonden in de kleur – in de plastieken, de fluorescenties, het neonlicht, kunstlicht en nu in de valse verbindingen, de wanverhouding, in de slecht gemaakte, mislukte, afzichtelijke schilderijen vol fouten, in de slechte smaak, het afgrijselijke, ten slotte vooral in alles wat artificieel is’.

DE KRITIEK

Maar als ik bepaalde kritiek hoor en lees, wordt mij duidelijk dat wat zij begrijpen niet door iedereen begrepen wordt. Ik hoor en lees commentaren, waarin gebrek aan inzicht in de essentie van het een en ander ironisch verpakt wordt en met superieur sarcastisch stemmetje geappelleerd wordt aan het hogere waarvoor wij pal moeten staan.

Ik weet dat een populaire opvatting is dat men niet moet luisteren naar wat een kunstenaar allemaal beweert, maar moet kijken naar wat hij ervan terecht brengt. Er is veel voor te zeggen. Maar misschien is het als men geen toegang tot de geaardheid van zijn productie weet te vinden, goed om toch eens te luisteren naar wat de kunstenaar erover zegt. Misschien komt men dan tot de ontdekkingen dat men niet ver komt als men tot in alle eeuwigheid terminologieën en maatstaven die oorspronkelijk bruikbaar waren, tracht te blijven toepassen ter beschrijving van inhouden die er al lang aan ontgroeid zijn.

Ik geloof grif dat iemand met bepaalde overtuigingen over wat kunst hoort te zijn (iets hogers, iets nobels, iets wat in het museum mag) in de war raakt als hij voor dingen komt te staan die helemaal niet (of niet in de eerste plaats) kunst moeten voorstellen. Als het gaat om dingen die ‘het kunstwerk ver te buiten gaan’(Yves Klein).

Hier ligt natuurlijk het breukvlak. Voor de een is het kunstwerk (ook in de oude-moderne zin: het nobele, het verhevene, het ‘gesublimeerde’) het eind. Voor de ander is er iets dat het ver te buiten gaat. Op het moment dat men zich zo iets bewust wordt, is kunst niet meer het allerbelangrijkste, aller hoogdravendste, aller religieuste, maar wordt men rijp om antikunst te gaan begrijpen. Hiermee hangt samen dat men kunst alleen nog maar als een deel kan zien van iets dat aanzienlijk meer omvat, de totaliteit van leven en werkelijkheid.

Dat maakt ook dat men tabak krijgt van het gevoelige, nobele kunstgepraat, maar probeert eindelijk weer eens intelligent te werk te gaan, ook al is men dan schilder, of assembleert men, of doet men god weet wat. Een intelligentie die men zelfs nog weet in te schakelen als men rakelings over de weg, de oude heerbaan, van de kunsttheosofie scheert, wat bij Klein zeker het geval is, misschien nog als erfenis van zijn interesse voor de Rozenkruiserij.

DE INTELLIGENTIE

Soms worden dingen door hem beweerd die precies zo onzinnig zijn als alle dingen die kunstenaars eerder beweerd hebben. Alhoewel dat altijd dingen waren waarin deugdelijker sleutels tot begrip van het werk verborgen waren dan die deskundige interpretators ons aanboden. Maar nu worden ze dikwijls met opvallende ‘Aufwand’ van intelligentie gebracht en daardoor krijgen ze een ander karakter. Het is een weg door dadaïsten en surrealisten vóórgetekend.

Kunstwerken (of anti-kunstwerken) worden er door verrijkt met ironie, sarcasme, sociaal inzicht, met een intellectuele horizon die de dogma’s over het ‘zuiver beeldende’ etc. plotseling als kortzichtige beperking tonen. Men kan alles doen en alles opnemen, aanzienlijk meer dan zelfs de zogenaamde ‘experimentelen’ droomden.

Belangrijk is dat de intelligente interpretatie van en kritiek t.o.v. het kunstenaarschap de grenzen uitwissen tussen leven en kunst. En daarom is het argument dat bepaalde dingen die men nu laat zien, niet in musea thuishoren, alleen maar een beetje opschepperig. De goede oude futuristen zouden ervan opkijken. Ze zouden kunnen zien dat hun idee de musea te verbranden kinderlijk was vergeleken bij de gebeurtenissen van dit moment en in ieder geval minder efficiënt.

DE WERELD VAN YVES KLEIN EN MARTIAL RAYSSE

Beide hebben ze de waarde van de slechte smaak voor de creatie beseft. Slechte smaak is natuurlijk iets dat – volgens sommigen – buiten het museum moet gehouden worden. Het museum dient echter informatie te verschaffen. Nog beter zou zijn het begrip museum, overbelast, erfelijk belast als het is, te vervangen door iets anders.

Yves Klein (de vroeg gestorvene) en Martial hebben persoonlijk zeer verschillende kanten uit de werkelijkheid geëxploreerd. Zelfs zij die er nooit aan zouden denken ook maar iets in hun richting te creëren, kunnen zich lijkt mij, moeilijk onttrekken aan de overtuigingskracht waarmee ze hun werk hebben gedaan.

Yves Klein: A.N.T. 2

Bij Klein is het de wereld van de wind, van de regen, van ‘atmosferische’ afdrukken, de wereld waaraan de kunstenaar zo min mogelijk zijn handen vuil maakt, een soort imitatie van de natuur. Eigenlijk een grenzeloos naturalisme. Hij bindt een doek met natte verf op het dak van zijn witte Citroën. Rijdt met 100 km. De wind schildert. Hij laat naakter in blauwe verf gerolde juffrouwen zich zelf afdrukken tegen het doek. Sponzen worden blauw gemaakt. Een diep ultramarijn betekent voor hem bij aandachtige meditatieve observatie immaterialisatie van de verf en de kleur.

Iets als het kijken in de hemel. Hij biedt de Leegte aan in ruil voor goud en dat smijt hij dan in de Seine. In wezen is hij bezeten door de leegte. Hij is een vijand van het persoonlijke exhibitionisme in action-painting. Hij keert zich tegen Japanse schilders die zijn antropometrische experimenten (afdrukken van lichamen) op eigen wijze toepasten : door zich zelf in de verf te rollen.

‘Ik zelf zou nooit mijn lichaam willen besmeuren om een levend penseel te worden, integendeel, ik zou eerder een smoking en een paar witter handschoenen aantrekken. Het zou zelfs niet in mijn hoofd opkomen om mijn handen met verf vuil te maken. Los van mij en op een afstand moet de scheppingsarbeid zich onder mijn ogen en op mijn bevelen voltrekken. Zodra het werk gestalte wil krijgen, stel ik me op om getuige te zijn van deze ceremonie, smetteloos, kalm, ontspannen, volkomen bewust van wat er gebeurt en bereid de kunst te ontvangen die in de tastbare wereld geboren gaat worden’.

Men ziet: de taal van een mysticus. En geen wonder dat alle afdrukken en blauwe vlakken en blauwe sponsen en zwak golvende oppervlakken in plaats van de emotie van het abstracte expressionisme (de innerlijke overlading) de suggestie verwekken van een besef van een uiteindelijke monotone leegte, die hier en daar aan een wegebbend rimpelen begint. Een van binnen leeg trachten te worden, hetgeen iets totaal anders is dan leeg zijn door inhoudsloosheid. Maar daar ligt waarschijnlijk het probleem. Het gaat mij er niet om of men over een paar jaar deze werken, als een superieure, bijna oosterse, binnenhuisdecoratie zal afdoen, dan wel ze als profetieën van een nieuwe wereld zal omhelzen.

Wel gaat het erom het probleem van de mentaliteit van Klein te stellen. Hij heeft bezeten geleefd en is aan bezetenheid in de meest letterlijke zin afgeknapt. In dat opzicht is er bij hem geen verschil tussen zijn leven en werk geweest. Op volslagen bezeten wijze denkend, discussiërend, met vlammen schilderend etc. is hij de leegte binnengevlogen, vroeg en alweer op bezeten wijze stervend. Het probleem dat hij opwerpt, is dat van zijn mentaliteit. Men verdenkt hem ervan in plaats van een bezeten zoeker naar leegte een bezeten stunter te zijn geweest. Iemand die de leegte verkoopt, optreedt in avondkostuum, society-evenementen voor kunstsnobs opzet, wat is dat voor iemand? Men staat gauw klaar met het begrip charlatanerie. Maar vergeet niet dat we in een tijd leven waarin we weten dat bevrijding uit ons zelf moet komen en waarin we zoeken naar verruiming van ons bewustzijn, waarbij geen middel te gek is, Want het gaat om een zaak die de moeite waard is. Tenminste als men erkent dat leven en kunst niet meer los van elkaar dienen te zijn. Als men erkent dat kunst niet alles is, maar onderdeel, dat kunst leven is, leren leven met alles.

Dan zal men misschien ook nog een keer begrijpen dat kunst (of anti-kunst) niet slechts bestaat bij de gratie van het aanbieden van esthetisch genot, van het Hogere, maar in deze tijd een functie heeft tussen nog maar weinig geaccepteerde vormen van bewustzijnsverruiming. Wat dat betreft, is er in onze tijd in alles wat met kunst van doen heeft, werkelijk iets nieuws aan de gang. Want het gaat om een verruiming naar de kant van het onaanzienlijke, het gevaarlijke, het vergetene, het onbehaaglijke, het verdrongene, het gesmade. Tenslotte ook om de verrassende creatieve ontdekkingen van de ‘slechte smaak’. Dit proces is al veel langer aan de gang. Sinds de klassiek academische criteria zijn aangetast, is er een minstens zestigjarige ontwikkeling aan de gang, waarin men steeds meer oog krijgt voor de ontstellende vitaliteit en verrassendheid van de creativiteit dien in ons allen schuilt. De hartroerende en verschrikkelijke echtheid die uit onkunde spreekt, waarop menig kunstenaar jaloers is en er tegenwoordig dan ook zonder gêne veel aan ontleent.

Dat daar een stuk banaliteit aan meekomt spreekt vanzelf. Maar het is een banaliteit die in het vlak van de bewustzijnsverruiming een totaal andere betekenis aanneemt, zoals duidelijk wordt gemaakt in de wereld van Martial Raysse, die vergeleken met die van Klein aanzienlijk gevarieerde, verrassender, in banale zin, gekker is en overduidelijk relaties onderhoudt met Dada en surrealisme van weleer.

Het verschil met het surrealisme ligt in de overeenkomst. Die overeenkomst ligt in het gebruik maken van psychologie. Het verschil in het soort gebruik ervan. Surrealisme was grotendeels afdalen in een persoonlijk onbewuste. Dit hier is gebruik maken van de imago’s, de idolen, de ‘hidden persuaders’ van een massapsychologie anno 1965. Een bezeten onderduiken in de wereld van posters, neon, filmhelden, verbindingen tussen popart en dagelijks, ordinair, leven.

Martial Raysse Tableau simple et doux

Maar deze Raysse móet wel een grillige, een door begaafdheid grillige, jongen zijn. Neo-Dada-achtige assemblages en plastieken wisselen af met door onvoorstelbare banaliteit treffende kleurschema’s van krankzinnig sterke werking. Een soort superieure etalage- en standbouw. Mensen worden zetstukken volgens het voorbeeld van advertentiepagina’s. Zo ziet ‘the man in the street’ zich zelf. Zo koopt hij zijn kleren. Zo zijn zijn filmhelden. Maar in het museum verwacht hij zoiets niet. Daar koestert hij over zichzelf andere verwachtingen. Het schijnt moeilijk te begrijpen dat een kunstenaar een van ons is, in de tijd van advertentiehoogconjunctuur en zelf aan advertisement kan gaan doen.

Maar tegenover de meest banale posters, met fluor, etc. staan vreemde surreële, en daardoor van een merkwaardige dichterlijkheid doordrongen persiflage op landschappen, met een Max Ernstachtig verfijnde bladerstructuur, waarachter (bespotting van de prentbriefkaartromantiek en tegelijkertijd verheerlijking van het volslagen idiote ervan) zich met ijskoude romantiek het schijnsel van neonlicht verbreidt. Naast de pin-ups van nu, verschijnen de lieflijke halfgoden, de amors en psyches van de salonkunst, ruimtelijke zetstukken en er brandt een neonhartje in zo een ding, zoals op de gezichten van fotogenieke dames neonmonden vlammen.

‘Door het procedé van de fotografische vergroting krijgt de menselijke gestalte een andere dimensie – wordt een betoverende, vleselijke aanwezigheid. Door de atomisering van de kleur als gevolg van het gebruik van gespoten verf wordt de tastbare werkelijkheid scherp van de omringende ruimte onderscheiden. De fluorescerende kleuren van de verfspuit zijn uiteraard afgestemd op hun technologische functie en hun nuttigheidskarakter: de groenen, blauwen, violetten, roden en oranjes worden alle tot een uiterste verheviging van hun kleurwaarde gebracht’, zegt Pierre Restany.

Wat zegt Raysse zelf? “Ik wilde dat mijn werk de koele, heldere onweerlegbaarheid van een aan de lopende band gemaakte koelkast zou bezitten – nieuw, steriel, onveranderlijk: hygiëne van de visie”. “Het leven is afschuwelijk, dat is wel heel duidelijk – wij gaan sterven en zijn daarom veel nauwer betrokken bij alles wat het doodsproces reeds in zich draagt”.

Over kunstgaleries (nu): “Nu zult u tevergeefs een beetje leven zoeken, het zijn grote klinieken voor leeggebloede schilderijen, precies datgene waarvan ik droomde”.

GEORGE LAMPE