Expositie “De Stad” in de Haagse Kunstkring

Subtitel: Voldoende kwaliteit – teveel charme.

De tentoonstelling ‘de Stad’ in de Haagse Kunstkring deelt geen mokerslagen uit door uitbeelding van de driftige spanningen, die het leven in de stenen smeltkroezen van de wereld riskant en fascinerend maken. Merkwaardigerwijs – en voor ons, de organisatoren van de tentoonstelling volkomen onverwacht – zijn de stenen anders gevallen en overheerst een heel ander karakter: het verdroomde, het speelde, het doorzichtige, de ijle bouwfantasie. Toegegeven, dit is een bezwaar en het ligt aan het feit, dat een te groot aantal kunstenaars, waarvan we andere aspecten hadden kunnen verwachten, verstek hebben laten gaan. Jammer voor de Kring, waarvan men nu een geamputeerd beeld verstrekt krijgt. Maar het ontbreken – op enkele uitzonderingen na – van de tumultueuze of nachtelijke zijden van het stadsleven, houdt niet zonder meer in, dat de tentoonstelling zonder charme zou zijn. Naar mijn mening is er eerder sprake van een teveel daarvan.

Tegelijkertijd echter, en dat is een accent waard, maakt de tentoonstelling een weinig pretentieuze indruk, dank zij de aanwezigheid van een aantal werken (of werkjes), die voldoende kwaliteit bezitten om het zonder de grote trom te kunnen stellen. Een schilderij van Meindert Volkers bijv. ‘Stadsrand’ maakt zich in geen enkel opzicht breed, maar kan ondertussen bogen op een kwaliteit, die een mengeling van Paul Arntzenius en van Morandi op verwante wijze zou vertonen. Niet dat Volkers op één van de twee of beiden lijkt, maar zijn werk heeft er onopzettelijkheid en zuiverheid als grondtoon mee gemeen en een zin voor het stille en pure. Het merkwaardige accent van deze tentoonstelling komt ook uit in de etsen van Nel Koen en de tekeningen van Belleke Dolhain. De eerste laat middels een subtiel nerveuze naald, zonnig, dunne bewegende kinderen ontstaan, in een speeltuin in een park. De tweede, markant, vooral bewegelijk tekenend met gevoel voor de waarden van licht-donker – waardoor het werk, met een illustratieve inslag, verdiept wordt – vertaalde een ‘stadspark’ in een pentekening.

Nu maar even de dames afhandelend:

Johnny Vreede kijkt uit over de dakenzee.

Julie v.d. Veen poogt in een uiterst zacht materiaal (pastel) ‘de harde stad’ aan een structuur te helpen.

Renske Morks, de enige beeldhouwster die meedoet, bouwde ‘stadsmensen’ op, drie-dimensionele zwart-blauw gepolychromeerde silhouetten. Haar werk en dat van Lucie van Duin (lino’s) geven door de manier waarop het materiaal gebruikt is een hardere en minder plaisante kant weer. De schaduwachtige werking van de zwartblauwe polychromie bij de een, wordt een grafische slagschaduw bij de ander, vallend over naar boven en beneden (hoe ver?) zich uitstrekkende huizenblokken.

Dan Diana en Ina Orbáan. De eerste vooral opmerkelijk in het surreële ‘stad aan zee’, een glasachtig bouwsel tegen een glasachtige hemel en een glasachtige zee. Men kan van zulk werk houden of niet, maar het is onmiskenbaar, dat de manier waarop ze het een en andere gedaan heeft, deze bouwwerkachtige vormfantasie juist een accent van surrealiteit geeft door een mengeling van exactheid en onwezenlijkheid. Van Ina Orbáan valt een hard gekleurd en primitief schilderij op , doordat het primitieve echtheid heeft.

Uiteindelijk weer terugkerend tot de mannen van de kring – een gouache van Aart van den IJssel, ‘Stad’. Deze beeldhouwer blijkt steeds opnieuw een fragiel tekenaar en gouachist, die hier laat zien hoe doorzichtig men een stad, een viaduct, verkeer kan zien: reflecties van licht, een doorzichtige opbouw die ieder moment zelf in beweging zou kunnen raken.

Jan Roëde heeft de ritmische herhaling van vensters behandeld als een eindeloos voortkabbelend muzikaal motief, een indruk die eens te meer versterkt wordt doordat het geheel is ondergedompeld in een grondtoon: blauw.

Will Leeuwens: ook hier de ritmiek, vooral in zijn ‘gemengde technieken’, maar dan in klare zwart-witten, die enigszins ‘swingen’ door wat men ‘trekking tussen maat en ritme’ zou kunnen noemen, onverwacht kleine verschuivingen. Overigens is er ook zijn schilderij ‘Oran’ waarin het, grote problemen stellende, gebruik van geel kundig is opgelost.

Ook Piet Franz heeft in ‘Gemengde Technieken’ steden gebouwd: ‘bouwen in de hemel’, ‘glazen paleis’. Genoemde werken zijn kennelijk ontsprongen aan de ijlere, de kristalachtige aspecten die een moderne stad kan opleveren. De wereld van glas en staal, die niet slechts hard behoeft te zijn, maar ook een eigen sprookjesachtigheid kan ontwikkelen.

Bij de heren van de Kring komt het speeltuinmotief ook weer terug in een opengehouden pentekening van Ton Hoogendoorn.

Kanaaleiland, ets van William Kuik

Het werk van William Kuik heeft een speciale bekoring, bijna niet van deze tijd. Het werk dwingt bewondering af. De opzet van een landschap: nergens te weinig en wat belangrijker is, nergens te veel, vereist op deze wijze gezien en gedaan een niet gering kunstenaarschap.

Men bekijke hoe de figuratie van het landschap ontstaat uit een enorm rake dosering van vlekken en lijnen, krabbels en zelfs onklaarheden.

Tenslotte – eindeloze opsommingen worden zouteloos – Ferry Siebe. (Voor wie zijn werk goed en dus al tientallen jaren kent zijn er in het verleden wortels van te vinden). Expressionistisch naar kleur en vorm representeert hij een kant van de stad die deze keer stiefmoederlijk bedeeld is. De verandering in zijn werk is alleen al toe te juichen omdat hij zich daardoor aan de etikettenplakkerij, waarin men zo bedreven is, onttrekt.

Het is heel goed als kunstenaars zich niet te gemakkelijk laten rubriceren. Vooral in zijn schilderij ‘de Walletjes’ dekken vorm en inhoud elkaar en geven diepe, harde kleuren een onsentimenteel, maar met dreiging geladen, reliëf aan de verharde vormen van de weinig gemoedelijke tantes die in het schilderij domicilie kregen.

GEORGE LAMPE