In memoriam Jaap Nanninga

Gepubliseerd: 13 November in vrij Nederland

MIJN VRIEND JAAP NANNINGA, die ik een groot schilder acht, is ten gevolge van een verkeersongeluk omgekomen. Een aantal jaren geleden was iedereen voorbereid op zijn dood, die men menselijkerwijs kon verwachten na een ingrijpende operatie met moordende complicaties. Dat hij toen in leven bleef, is even onvoorstelbaar als deze blind toeslaande dood. Hij laat een pijnlijke leegte achter in de toekomst. Later als men kan terugzien, zal men de factor van onvervangbaarheid in zijn werk misschien nog beter zien dan nu. Alhoewel iemand die ogen heeft die zien en niet alleen maar kijken, daar op dit moment evenmin blind voor kan zijn. Te meer daar Nanninga’s werk niets van doen heeft met een abstracte mode en álles met een onmiskenbare persoonlijke zeggingskracht. Het is opvallend hoe hij, in een tijd waarin het modieuze zich vermomt in het ruige en gehavende gewaad van het anti modieuze, strikt in de buurt van zijn eigen natuur bleef: een grote, ouder wordende, beerachtige jongen van het land, gepeperd als een man van de wereld, van binnen met een tedere belangstelling, een religieuze verering voor de natuur, tenminste voor een vreemde onstoffelijke kant ervan.

Dit verklaart ook iets omtrent zijn werk: het verbeten gevecht om de verf onstoffelijk te maken. En de nog moeilijker taak geen sporen van gevechtsmoeheid in het werk achter te laten; het werk niettegenstaande het getob een schijn van moeiteloos gemak en vrijheid te verlenen.

In deze werkwijze zat een koppig verzet tegen de gemakkelijke weg, een versmaden van dingen die zo maar aanwaaien; het besef dat iets pas helemaal van je zelf is en je er pas recht op hebt als je er al het denkbaar mogelijke voor hebt overgehad. En dat betekent een hoop ellende.

Het ging om fouten maken en om niet de dingen ineens goed doen, met dat (on)benijdenswaardig gemak. Het ging om iets van die fouten te laten bestaan, ondanks hun herstel, uit een vijandschap tegen het schema, de grootste gemene deler die iedereen kan accepteren. Want datgene waarin we van het schema afwijken, de fout, dast wat niet zonder meer klopt, kunnen we gebruiken om iets mee te doen, iets dat persoonlijk is en niet past in de schema’s die van iedereen een onpersoonlijke grondvorm maken, een confectiefiguur.

Nanninga stelde zich niet tevreden met dingen die van een ander konden zijn. Hij werkte, verbeterde, haalde weg en liet staan tot er een afspiegeling ontstond van zijn gecompliceerde en zeker niet blijmoedige natuur, die bleef doorklinken als een grondtoon van droefenis, al was hij een meester in het bewerkstelligen van harmonie, al hield hij van het spelen met kleurklanken: het spel werd altijd weer bittere ernst.

Zelfs als hij kleuren gebruikte die men gemeenlijk als blijmoedig ervaart, was er die grondtoon die schrijnde. Op de een of andere manier deed me dat dikwijls aan muziek van Mozart denken.

GEORGE LAMPE