Kline Klee

Subtitel: Verslag van een discussie.

Gepubliseerd: 19 Oktober 1963 in Vrij Nederland.

De afgelopen weken hoor ik discussies die zeker niet op touw zouden zijn gezet als Klee en Kline niet tot de naaste buren in het Stedelijk Museum (Amsterdam) zouden zijn gemaakt. Men loopt moeiteloos van de ene expositie naar de andere, want de lokaliteiten waarin ze te zien zijn, hebben open verbinding met elkaar.

Ik sprak Willem Hussemdie, gezien de geaardheid van zijn eigen werk, niet anders dan grote affiniteit kan hebben met dat van Kline. Hoewel hij in zaken betreffende de moderne kunst met recht als deskundige mag gelden en derhalve ook de gepaste eerbied heeft voor de wegbereiders ervan. Hij vertrouwde me toe dat Klee, naast Kline, hem enorm is tegengevallen.

Klee 1935. Blubberige Bewapening

Al die kleine blaadjes van Klee met hun hooggeroemde verfijning, poëzie, vindingrijkheid, vormpjes, lijntjes, gezichtjes, boompjes, beestjes, kleurtjes, hadden hem mateloos geïrriteerd. Hij was van mening dat het misschien heel mooi is als men er een stuk of twintig bij elkaar ziet, maar dat meer dan honderd voor hem te veel was aan verfijning, subtiliteit en dichterlijke sierlijkheid; dat zulks in plaats van een indruk van kracht en intensiteit, vooral na het zien van Kline, eerder de indruk geeft van fijngeesterij niet van sterk beeldend vermogen.

Het komt, als ik hem goed heb begrepen, op gebrek aan kernachtigheid neer, althans voor hem. Of dit nu juist is of niet, verandert niets aan het feit dat Kline in extreme mate, als ‘action painter’ is tegengesteld aan Klee. Zeer in het bijzonder als men uitgaat van het formaat van zijn enorm grote doeken en van het formaat van zijn elan.

Interessant is overigens dat bovengenoemde schilder weliswaar Kline de voorkeur geeft boven Klee, maar hem tegelijkertijd zijn kritiek niet spaart. Hij heeft er niet van terug als Kline kleuren gebruikt. Commentaar: “dat had ie beter kunnen laten”.

Tot nu toe is Kline niet slechts bekend als de man van enorme formaten en een summum aan ‘action’ , maar ook als iemand die zich voornamelijk tot zwart-wit bepaalde. Het spel van wit tussen zwart en van zwart op wit, een machtige ruimtelijke werking tevoorschijn roepend door klare, duidelijke, directe stelling, van met geweld en toch met beheersing, als met een bezem op het doek geborstelde, op elkaar botsende, elkaar steunende, op elkaar kruiende balken, massa’s, gevaartes.

Ik schrijf ‘zwart-wit’. Maar dat is betrekkelijk. Want het zwart is niet overal even zwart en niet overal op dezelfde manier zwart en het wit is genuanceerd, zij het ruig genuanceerd, of dat wordt het door de nabijheid van nuances in het zwart, dat soms mat en schraal, dan weer donker en diep, bijna glanzend, is, of een donker grijs blijkt te zijn als men er goed naar kijkt.

En dat is dan geen resultaat van zorgvuldig uitgekiend raffinement, maar is een volkomen natuurlijk voortvloeisel van de beweging die de schilder maakte, waarin, in zijn geval, geen enkele vorm van mooidoen past. Was het anders dan zou er een esthetiserend element in zijn geslopen. Waar zulke verschillen liggen, is niet precies met de vinger aan te wijzen, maar er is altijd een duidelijk voelbaar verschil tussen ‘echte’ en ‘gespeelde’ spontaneïteit. Zo is het ook duidelijk dat druipslierten en spetters op de doeken van Kline er niet om het effect zijn aangebracht, en dus niet formalistisch zijn gebruikt, maar resten en neerslag zijn van ongebreidelde actie. Resten die echter nier opgeruimd mogen worden, wil men het karakter van het schilderij geen geweld aandoen.

In de discussie dient men natuurlijk te verdisconteren dat Klee, ook al stierf hij pas in 1941, gerekend wordt tot het nog lang niet grauwe verleden van de moderne kunst, terwijl Kline tot de actualiteit behoort. Ik ben benieuwd of men Kline dezelfde verwijten omtrent esthetiseren zal maken als waarmee men de laatste tijd geneigd is Klee te bejegenen. Maar zelfs als dat zo is, betekent dat nog niet dat daarmee de discussie gesloten is. Want die valt niet te sluiten op grond van esthetiserende elementen, dan wel van het ontbreken ervan, omdat men dan werkt met argumenten die niet essentieel (zijn in verband met kunst. Esthetiek kan er net zo goed mee verbonden zijn als niet.) zijn.

De zaak is op het moment al niet eenvoudig, blijkens het vervolg van het gesprek ik in de aanvang releveerde. Ik praatte er nog met anderen over na, toen we benaderd werden door de niet minder deskundige Willem Minderman, die bovendien nog museumman is, die zich onbewust van het voorgaande tot ons richtte met de mededeling dat hij Klee en Kline had gezien.

Hij verklaarde met verve dat Kline ‘met zijn grote lappen’, volkomen van de kaart werd geveegd door die ‘kleine onpretentieuze dingetjes van Klee’. Dat is duidelijk iets anders. Zijn argumenten gingen in de richting van het warszijn van effectbejag, van het ‘je niet laten bedotten door grote gebaren’. Het is zeker dat hij doelde op het feit dat grote gebaren niet zonder meer identiek zijn met intensiteit.

Ten slotte werd ons gezelschap verrijkt door de komst van een schilder, Aat Verhoog, van aanzienlijk jongere generatie dan die waartoe de twee voorgaanden behoren. Zijn bijdrage tot het gesprek was voor mij opnieuw een verrassing. Gezien de aard van zijn werk en een nogal veelvuldig uitgesproken twijfel aan de waarde van action-painting als massaal verschijnsel, gezien ook zijn affiniteiten met het surreële en met lieden die – zoals Dubuffet – ontginners zijn van terreinen die door Klee werden geopend, had ik nooit verwacht in hem zulk een – ten nadele van Klee uitpakkende – geïmponeerdheid door Kline te zullen aantreffen. Hij nam scherp stelling tegen de Klee-aanhanger, juist op het stuk van de grote gebaren en formaten. Terwijl hij zelf met azijnig cynisme lege gebaren weet te ontmaskeren. M.i. legde hij terecht de nadruk erop dat in dit geval de grote formaten geen onzin zijn, maar essentieel voor de uitdrukkingsfactor in Kline’s werk. Het is nu eenmaal zo, dat de problemen van de beeldende kunst alles met het formaat te maken hebben. Een klein schilderij dat men vergroot, wordt een ander schilderij, dikwijls een slecht schilderij, een enkele keer een beter. En andersom is het ook zo.

Om de maat van uw verwarring – een toestand die ik als het om kunst gaat, prefereer boven die schijnbaar glasheldere, keiharde zekerheden – vol te maken, deel ik ten slotte nog mede, dat Verhoog de toevoegingen in kleur aan het werk van Kline, allerminst ernaast achtte.

Toevoegingen van kleur is eigenlijk niet juist. Dat klinkt alsof hij ter verfraaiing wat kleur in het skelet van zijn zwart-wit zou hebben binnengesmokkeld. Maar zo is het niet. De kleur is volslagen geïncorporeerd in het schilderij en maakt er een essentieel bestanddeel van uit. Het is alleen een voor ons wat merkwaardige kleur, een koude felle kleur, of nog beter: de kleur is ‘cool’, misschien op dezelfde wijze een Amerikaanse bijdrage als action-painting op deze manier het is, gespeend van de broeierige romantiek die met noodlottige monotonie zelfs aan het meest recente Europese expressionisme schijnt te moeten kleven.

GEORGE LAMPE