Brief aan Livinus

Subtitel: Schilderen met het licht.

Gepubliseerd: 13 Maart 1965, in Vrij Nederland.

JA, Livinus, daar zaten we, tijdens de wekelijkse bijeenkomst van de ‘Cinéworkshop’ van onze ‘Vrije Academie’. We bekeken het filmpje dat, onder jouw leiding, gemaakt werd in verband met je grote (grootse) tentoonstelling in het Gemeentemuseum in Den Haag. (Tussen twee haakjes: in dat museum gebeurt meer en meer, waardoor het in Nederland de rol gaat overnemen die vroeger, solo, door Amsterdam werd gespeeld).

Ik zie nog eens in filmisch kortschrift, wat je met onnoemelijke concentratie en hardheid tegen jezelf gemaakt hebt, uitgevonden hebt.

Ik zit daar met Ber Mengels en Pauline Braat, met Bound Smit en Ruivenkamp, Van Vliet met Burksen, George Hadeler, Ton Hoogendoorn, Van Hoften en Aat Verhoog en zie je zitten. Je kijkt mee en vraagt kritiek op het filmpje.

Je bent veranderd de laatste jaren. Je werk heeft in je ingegrepen. Het heeft je zo gemaakt dat je er bij past.

Ik herinner me: Een paar jaar geleden. Ik bezoek je, met Bibeb. Je zit op een grasveld. Binnen twee minuten betrek je ons in één van de vreemdste gesprekken die we ooit hebben meegemaakt. Over wetenschap, techniek, kunst. Over dingen waarvan maar weinig mensen ‘Ahnung’ hebben dat ze al gebeuren, onderzocht en gerealiseerd worden; maar onverbiddelijk in ons leven ingrijpen. Perspectieven. Ik zie je terwijl het filmpje draait.

We zien grafiek (kort) en dan fotopeinture en chronopeinture, lumodynamiek en horen de geluidscollagevan telefoongesprekken die je voert (voerde) in verband met fotopeinture, lumodynamiek, chronopeinture. Ik draai me om en zeg tegen Aat: “Die Livinus is wel een soort man, een soort genie” wat hij beaamt.

Ik schrijf dit nu maar, terwijl ik weet dat zo iets geen usance is. In de bloedeloze vormendienst die we ‘kunstleven’ noemen, mag zo iets niet.

Maar waarom zou ik het niet zeggen als ik het denk? Ik heb er nog argumenten voor ook. Ik denk dan terug. Denk aan wat je was en wat je geworden bent. Denk b.v. aan de tijd dat je ‘alleen maar’ schilder-graficus was. Van de dingen waarmee je nu occupeert, wist je nog niets af; of maar weinig. Wat je er van af wist, lag helemaal in het totaal onvoldoende vlak van een soort ‘algemene ontwikkeling’.

Christus, wat heb je moeten werken, dag en nacht, om in vijf, zes jaar tijd alles onder de knie te krijgen wat nodig is om de dingen die je wilde realiseren te kunnen realiseren.

Er was natuurlijk wel (achteraf) een logische weg. Kleurvisioenen uit je jeugd (vooral de ‘straling’ van kleur, die met reflecterende, ‘gewone’ verf in ‘gewone’ schilderijen, nooit geëvenaard kan worden, wat straling betreft althans).

Dat wees al op verafgoding van Licht , althans van het essentiële ervan; Straling.

En dan: graveurswerkzaamheden die het moeten hebben van moeizaam aangebracht reliëf in metaal, die het van de speling van licht moeten hebben. En daarna: reliëfdruk in grafiek; afhankelijk alweer van spel met licht. Er is fotografiek: afhankelijk van het spel met licht.

Ten slotte: schilderen met licht zelf. Eens heb ik in VN en in het Museumjournaal geschreven dat licht de droom van schilders is geweest. Altijd. Laten we zeggen: één van de dromen.

Want schilderijen zijn beklagenswaardig en hartbrekend afhankelijk van licht.

Daarom wilde je het licht zelf schilderen met licht. Wat een obsessie.

Ik heb wel eens gedacht dat het grote moment, voor iemand die iets maakt, komt op het tijdstip waarin alles wat hij daarvoor deed (en wat soms zinloos, verward, heterogeen leek) plotseling nodig en zinvol blijkt te zijn geweest. Een groot geluk. Want zoiets gebeurt maar weinig.

Dat is de tristesse van kunstenaarschap. Men wordt veertig, vijftig, zestig. En plotseling blijkt dat het weinig is geworden. Alles wat men vermoeiend, uitputtend, uitmergelend heeft geprobeerd, mondt uit in zinloosheid. Want als de grote zinvolle samenvatting niet komt, zelfs als het gaat om vernietigende samenvatting in een beeld, in een spiegel, van het zinloze van ons leven (absurdisme), komt de grote depressie van het kunstenaarschap : alles wat ik deed, was zinloos, bleef heterogeen, los zand. Mijn persoonlijkheid, wat ik zelf ben, is minder dan de mogelijkheden die ik geprobeerd heb. Mijn materiaal was sterker. IK BEN NIETS. Ik was tot geen samenvatting in staat en daardoor wit ik van mijn materiaal niet meer te masken dan het op zich zelf waard is. Wat een geschiedenis. Alles kwam er op aan met ‘licht zelf’ te schilderen. Wel bewust dat schilderen dan iets anders wordt. Vooral het schilderij. Dat wordt iets tijdelijks. Iets dat alleen maar bestaat als er licht doorheen gezonden wordt.

Wat door licht zelf gemaakt wordt, kan alleen maar door licht opnieuw zichtbaar worden gemaakt. Maar hoe met licht schilderen? Hiertoe moet je uitvinden. Dagen, nachten studeren. Natuurwetenschappen, fotochemie, elektronica, cybernetica.

Tenslotte het echte uitvindersmoment .Het toeval. De etalage waar je voor staat. Het vreemde materiaal dat je daar ontdekt.

Opeens weet je dat hier het materiaal de stof ligt waaruit je het lichtpenseel kan maken. Een stof die moleculair dirigeert. Licht bundelt in plaats v an verspreidt, bestuurbaar maakt. Eerste fotopeintures.

Dan: fotopeinturedynamiek. De zaak moet bewegen. Een apparaat wordt ontworpen. Nee, dat is geen ontwerpen. Dat is een soort ontstaan. Eindeloze moeite. Prutskarweitjes. Nieuwe studie. Zenuwen. Mislukkingen. Nachten. Dagen. De rommelmarkt. Tweedehandszaken. Elastiekjes. Fietswielen. Radertjes. Oude fototoestellen. Lenzen eruit. Ergens anders in. Banden met fotopeintures. Door elkaar laten lopen. Verticaal. Horizontaal. Stuurinrichting uitvinden. Ritmering uitdokteren. Lichtintensiteit regelbaar maken. Kleur er aan toe kunnen voegen (of wegnemen). Een ‘geheugen’ aanbrengen. Vanuit de verte bestuurbaar maken. Computers. Cybernetica. Wat een werk. Weet je nog?

Enkele heren, geweldige heren, geleerde, deskundige heren zouden komen kijken. Naar het werk van de amateur. Weet je nog hoe ze keken naar het surreële apparaat, dat je gebouwd had en ze wat sceptisch deden? Weet je nog hoe verbaasd ze waren toen er gebeurde wat ze onmogelijk achtten? Ik heb me rot gelachen om dat verhaal.

Weet je nog van de mislukkingen en van de pikkerijen? Niet om je rot te lachen. Ik heb het allemaal meegemaakt. Ook de ellende van het apparaat dat niet op tijd klaarkwam. Van de ‘Stichting’. Van de angsten. Van de financiële moeilijkheden. Ik heb ook wat ‘kritieken’ gelezen. Ze zijn wel mooi. En soms hebben ze er niets van begrepen. Ook als ze mooi zijn. Wat heb je eraan als er bewondering wordt geuit alleen voor de technische kant van de zaak (alhoewel die alleen al ruimschoots het predicaat geniaal verdient.) Wat heb je eraan als iemand zegt de dingen erin te missen die de gewone of ongewone schilderkunst biedt. Woorden schieten op dit moment te kort. Ons arsenaal der terminologie dient nodig herzien.

Maar dit heeft toch eigenlijk met schilderkunst in de oude zin niets meer te maken. Het ligt in het technische vlak. En in dat vlak ben je meester boven de meesters. Waarom? Alles wat verder in dit vlak gebeurt, komt niet verder dan mechanische oplossingen. Laat wat kleurschijven achter transparanten draaien. Kleur en licht. Ja. Ja. Maar met licht zelf gebeurt niets. Jij maakt gebruik van de breking van het licht. De kleuren die jij mengt zijn niet gemengd uit pigmenten.

Een groen gemengd uit licht komt anders tot stand dan een groen gemengd uit verf. Dasar is straling. Straling is beweging. Tijd. Tijd wordt factor. Ruimte wordt factor. Kom, laten ze toch ophouden met hun gezeur over schilderijen.

Een laatste woord, Livinus. Over je werk dat zozeer van deze tijd is, dat het in geen enkel opzicht van de verleden tijd zou kunnen zijn. Eerder behoort het aan de toekomst .

Alles zit erin: Niet alleen je eigen geschiedenis die ik maar summier heb aangeduid. Maar ook alles wat met begrippen die nu gangbaar zijn – omdat ze de enige zijn die nu bruikbaar zijn – omschreven kan worden. Derhalve heeft het een en ander niets te maken met aanpassing van schildertradities aan een moderner wereldbeeld: de simpelheid van draaiende mechaniekjes, kleurschijfjes, handig versierde lichtbronnetjes.

In jouw werk worden allerlei ideeën en begrippen – en laat het voor mijn part de slogans van deze tijd zijn – die alleen nu en in de toekomst toepasbaar zijn – simultaan gerealiseerd: elektronica, dynamiek, fotochemie, cybernetica, computer, automatisering, visualisering, stuursignaleur, science fiction, omzetting van geluid in kleur en andersom; moet ik verder gaan? … suggestie van ruimteoccupatie … steden met lumodynamische monumenten, beheerst en gedirigeerd door licht, met licht; wat zegt Constant ervan (Nero Babylon), wat zegt Stockhausen ervan (happinings, het publiek doet mee, de toeschouwer maakt het kunstwerk) het kleur-licht-bewegingsconcert … men zit in de zaal … speelt met het apparaat … anonimiteit, democratisering van de kunst, massaproductie van kunstvoorwerpen, iedereen speelt mee, bedient de knoppen, mag ingrijpen in de compositie, mag zeelf componeren, vormen, reeksen van vormen worden in een ‘geheugen’ opgeslagen, herhaalbaar gemaakt, optische en magnetische geluidsprojectie, fabriekshallen, bioscopen,, voorprogramma’s, architectuur, fotopeinture; lumodynamiek verandert ruimte, geluiden; krankzinnigegestichten, psychotherapeutisch toepassing; mensen gekraakt en vervreemd door de vervreemding van onze tijd, zitten te midden van bewegende, herhaalbare, bestuurbare, improviseerbare vlakken die bewegen, veranderen … de intensiteit van het licht neemt af, of toe, kleur verandert erdoor… als in het museum hoor ik de stuursignalen … moet ik verder gaan … ?

GEORGE LAMPE

Van de Bundt experimenteert met licht

Livinus van de Bundt

Utrechts Nieuwsblad

De Nederlandse kunstenaar Livinus van de Bundt (in 1909 in Zeist geboren) is in zijn werk verwant aan de kinetische kunst. Ook hij experimenteert met de beweging zelve en met het licht. Dat is wel eerder gebeurd, maar altijd werden deze experimenten in VERF uitgevoerd.

Van de Bundt nu werkt met ‘fotografisch’ licht. Via een ingewikkelde ‘lumodynamische machine’ (tot stand gekomen in samenwerking met gemeente, rijk en Prins Bernhardfonds) bewegen zich allerlei stralend kleurige lichtfiguren op matglas.

Van de Bundts ideaal is dat op den duur iedereen zo’n apparaat zal bezitten om zélf met licht te schilderen. Of dat er ooit van zal komen, moeten we maar aan de toekomst overlaten, maar zeker is nu al dat ons land in Van de Bundt een kunstenaar bezit, die met ongelooflijke volharding (denk alleen al eens aan de technische implicaties van zijn werk) een wezenlijke bijdrage levert aan de vooruitgang van de kunst, waar die ook toe moge leiden.

F. K.

Livinus bespeelt zijn “lichtorgel”

De Tijd-Maasbode van 13 maart 1965

(Van onze Haagse redactie)

DEN HAAG, 13 maart

Livinus van de Bundt, de directeur van de Haagse Vrije Academie en uitvinder van een door hemzelf in toepassing gebracht systeem om te schilderen met licht als ‘verf’, bespeelde vanmiddag voor het eerst zijn lumo-dynamische machine, die in het Gemeentemuseum staat opgesteld. In dit museum wordt een tentoonstelling gehouden van zijn lichtschilderingen.

Livinus, zoals hij als kunstenaar kortweg wordt genoemd, zal tot en met 11 april elke zaterdag- en zondagmiddag ‘concerteren’ om drie uur en om kwart voor vier. Op iedere zaterdagmorgen tot en met die datum om kwart voor twaalf zal het ‘lichtorgel’ automatisch spelen volgens een door Livinus op de band vastgelegde informatie.

Elke zaterdag- en zondagmiddag om vier uur zal bovendien de film ‘Zelfportret’ worden vertoond, die een beeld geeft van Livinus en zijn werk.

Overgenomen uit Wikipedia en andere internetbronnen

Levinus Arie Cornelis Jan van de Bundt (Zeist, 5 maart 1909 – Den Haag, 11 oktober 1979) was een Nederlands schilder, etser en graficus.

Leven en werk

Van de Bundt wordt gerekend tot de “Nieuwe Haagse School”. Hij volgde een opleiding aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Hij woonde en werkte van 1952 tot zijn dood op het landgoed De Voorde in Rijswijk. Hij was getrouwd met de keramiste Mieke van der Burgt (1917-1979).

Aanvankelijk maakte hij vooral etsen en houtsneden. Op 1 november 1947 richtte hij in Den Haag de Vrije Academie op. Daarvan was hij directeur tot 1964. In de jaren zestig ontwikkelde hij zich als avant-garde kunstenaar. Hij experimenteerde met lichtbronnen, lichtgeleidende en lichtgevoelige materialen en noemde zich lichtkunstenaar.

Het werk van Livinus van de Bunt is zich gaan ontwikkelen van realistische kunst in de beginjaren tot zeer avant-gardistische kunst in zijn latere loopbaan. Waar hij eerst realistisch, academisch werkte werd hij later beïnvloed door diverse stijlen. Na zijn academisch werk werkte Livinus van de Bundt meer expressionistisch, onder invloed van de Duitse expressionisten. In de jaren 50 gaat van de Bundt steeds meer experimenteren en zoekt hij de grenzen aan de mogelijkheden op de grafiek. Hij werkt met duidelijk reliëf en met zeer expressieve vormen en dik op liggende, vaak zwarte, verf. Na “klaar te zijn” met deze experimenten met de meer traditionele grafiek, gaat hij zich toeleggen op fotografiek. Hiermee maakt hij naam in de (internationale) avant-garde kunst. Na de fotografiek maakt Livinus van de Bundt naam als lichtkunstenaar, waarbij hij met een “lichtpenseel” lichtstromen laat lopen op lichtgevoelig materiaal. Tevens maakt hij videokunst en al heel vroeg, werk met gebruik van de computer.

Exposities en prijzen:

Grafiek van 1955-1957 – Stedelijk Museum Amsterdam – 1957 (solo) Fotopeinture – Stedelijk Museum Amsterdam – 1958-1959 (solo) KunstLichtKunst – Stedelijk Van Abbemuseum Eindhoven – 1966 (groepsexpositie)