Magische krachten leven in negerkunst

GEEN RARITEITENKABINET

Vrij Nederland van 30 juli 1960

 Zonder twijfel is er nooit tevoren een zo massale – zij het dikwijls ongewilde – belangstelling voor de volken van Afrika geweest als de actualiteit ons nu opdringt. De frontpagina’s van de dagbladen zijn dagelijks gelardeerd met de nog altijd enigszins ongewoon klinkende namen van zwarte politici, stammen en staten, waarvan de meesten voorheen nog nooit hadden gehoord. Een revolutionaire omstandigheid, als men bedenkt hoe weinigen dit nog maar heel kort geleden aannemelijk zouden hebben geacht. Tallozen maken de indruk zich onverhoeds gedwongen te voelen om, met schrik en onbehagen te aanvaarden dat een krachtreservoir met immense capaciteiten, waarover men eertijds liever niet nadacht, in werking is gesteld. Zij echter, die al vroegtijdig de wilde schoonheid, de krachtige beeldende taal van de zogenaamde negerplastiek herkenden en positief waardeerden hebben onmiddellijk beseft dat het hier niet ging om uitingen die men als verbijsterende curiosa op stal kan zetten. In dit tijdsgewricht, dat onder de opkomst van zwarte constellaties vorm krijgt, heb ik twee unieke gelegenheden om met Afrikaanse kunst kennis te maken voor u bezocht: het ‘Etnografisch Museum’ in Delft, alwaar de tentoonstelling ‘van Niger tot Limpopo’ te zien is en de onlangs geopende galerie voor etnografica van Bodes en Bode – qua inrichting en wijze van exposeren in Europa waarschijnlijk nauwelijks een evenknie vindend.

De negerkunst figureert sinds lieden als Picasso haar hebben benut om het vormarsenaal van onze eigen kunst te verrijken en ook tengevolge van de rigoureuze verandering van onze stijlprincipes, niet meer in die mate als voorheen als een rariteitenkabinet vol grillige vruchten van naïeve onkunde en vanzelfsprekende, racistisch bepaalde minderwaardigheid. In het algemeen werd het zicht op deze kunstuitingen echter verduisterd door enkele hardnekkig circulerende dooddoeners, waarmee men de negers gemakzuchtig en moeiteloos dacht te rubriceren.In de rommelkamer van deze gemeenplaatsen trad de neger op in een paar vast voorgeschreven vermommingen, beurtelings als de onbeschaafde, bloeddorstige wilde, met deels lachwekkende, deels angstaanjagende tovenaarspraktijken, of – in de voorstelling van oudmodische, zachteiige idealisten – als het goedaardige prototype van de ‘gelukkige wilde’ die, in het paradijs dat boven zijn toegangspoort het feestelijke ‘terug tot de natuur’ had staan, niet veel anders te doen had dan in een grappig kleutertaaltje te brabbelen.

Het ontwakend zelfbewustzijn van de negervolken uit zich onder meer in een snel stijgende interesse voor de eigen kunstproductie. Daardoor wordt het voor ons steeds moeilijker goede stukken te bemachtigen, terwijl men tegelijkertijd stukken die al in blank bezit zijn poogt terug te krijgen door terugkoop. Er zijn tijden geweest waarin het zonder veel moeite mogelijk was aanzienlijke hoeveelheden van deze kunst uit Afrika te krijgen. Ik meen dat de overgang tot de Islam, die de verering van gesneden beelden verbiedt, hier niet onschuldig aan is. Op het moment vervult de negerkunst echter steeds meer een nieuwe, voor het zich ontwikkelend zelfbewustzijn, symbolische functie, gestimuleerd door het bezit van een eigen trotse kunst, die buitendien voor de blanken begeerlijk blijkt, om nog niet eens te spreken van de bevruchting die de moderne kunst in priller stadium ontving. De reeds hiervoor door mij gewraakte versimpeling in onze voorstellingen omtrent de structuur van ‘de neger’ doen geen recht aan de enorme genuanceerdheid binnen het Afrikaans cultuurgebied. Men vergeet schijnbaar gemakkelijk dat we met een werelddeel te doen hebben  en niet met een kafferkraal, een werelddeel bewoond door zeer gedifferentieerde volken, genoeg verschillende talen sprekend om een Babylonische spraakverwarring teweeg te brengen. In het hoofdstuk over de rassenkunde van Afrika in het uitstekende boek ‘Zwart Afrika’ van dr. Herman Wouters telt deze liefst acht rassen, door de fysieke antropologie uitgedokterd als verantwoordelijk voor het uiterlijk van de bewoners van het momenteel zo roerige werelddeel. De grote stijldifferentiatie tussen Afrikaanse kunstvoorwerpen wordt hierdoor vanuit een andere dan alleen maar kunstzinnige hoek begrijpelijk, omdat hier ook mentaliteitsverschillen een rol blijken te spelen.

GROTE GENUANCEERDHEID

Wie interesse heeft om de door mij bezochte exposities met eigen ogen te aanschouwen diene wel te bedenken dat de begrippen kunst en kunstenaar voor de neger niet dezelfde inhoud hebben als voor ons en niet samenvallen met het beeld dat in onze cultuur sinds de romantiek omtrent deze zaken is gevormd, ten slotte culminerend in het alleen nog maar met hoofdletters kalligrafeerbare begrip ‘De Kunstenaar’. Wel is waar dat er stammen zijn met groter artistiek potentieel, dan waar andere over blijken te beschikken, die dan ook kunstvoorwerpen bij de eerste plegen te bestellen. Tot nu toe heeft de Afrikaanse kunst zich ontwikkeld in de sfeer van dienende anonimiteit. Buitendien staan deze voorwerpen – hoe decoratief ze ook  mogen aandoen – in die zin dicht bij het gebruiksvoorwerp, dat het vrijwel nooit gaat om sieraden zonder meer, noch om wat wij verstaan onder ‘vrije kunst’, wel echter om dingen die een dagelijkse rol spelen in magisch bezwerende praktijken, die in geestelijk klimaat een uiterst concrete betekenis krijgen door hun relatie met de strijd om het naakte bestaan én de beheersing van jegens de mensenmaatschappij niet altijd goedgezinde krachten, die op geboorte, leven en dood van demonische invloed worden geacht.

ONMISKENBARE CIVILISATIE

Het gesol met het weinig zeggende begrip ‘primitief’ is waarschijnlijk debet aan het taaie – nu langzamerhand verdwijnend – misverstand, dat negerkunst een uiting van bedroevend laag cultureel niveau zou zijn. Ik heb een angstig vermoeden dat de doorsnee leek voor 95% onkundig is van het feit dat Afrika minstens twee negerculturen heeft voortgebracht van zo hoog niveau, dat de eerste blanken die er mee in aanraking kwamen terecht verbijsterd waren; dit geldt vooral voor de Benincultuur, die een bronskunst voortbracht, dateerbaar door de afbeelding van Portugese krijgers. Hieruit bleek dat de Benin-bronskunst tussen 1280 en 1700 valt te situeren, en overigens evenals de gebruikte techniek afkomstig is van de verfijndere en aristocratischer Ife-kunst. Met de bekende zelfoverschatting heeft men een tijdlang trachten staande te houden dat de kunst van het bronsgieten door de blanken werd geïntroduceerd, totdat minder tendentieuze onderzoekers aantoonden dat deze hovaardij op wankele gronden rustte.

Ik herinner mij overigens jaren geleden in een boek van Frobenius een treffende beschrijving te hebben gelezen van de sterke beroering die de eerste blanken ondergingen, toen voor hen de onvermoede maar onmiskenbare merktekenen van een onbetwistbaar verfijnde civilisatie opdoemden, die overigens minstens zo bloedige trekken vertoonde als die der Azteken. De bezoeker van de beide collecties wordt getroffen door het groot aantal expressiemogelijkheden waarvan de negerkunst zich bedient, de puurste lieflijkheid maar ook de gruwelijkste demonie vertolkend, de nobelste aristocratie (in de Senufo-profielen bij voorbeeld) uitdrukkend of de koddigste clownerie . Voorouderfiguren, fetischbeelden en initiamaskers strelen en schokken beurtelings ons oog met bizarre veelvormigheid.

VOORZICHTIG MET ABSTRACT

Hoezeer de moderne kunst hierbij in de leer is gegaan of ten minste tot verwante oplossingen is gekomen, blijkt uit maskers in wat men de ‘kubistische stijl’noemt, of – uit het in Delft geëxposeerde Guli (buffel-)masker, dat onweerstaanbaar…..

Guli masker

Men mag vreemd staan ten opzichte van de magisch-fetischistische praktijken waarmee ze verband houden; men doet er echter goed aan te beseffen dat deze voor de neger een diepe, zoal niet de diepste zin hebben. Men vergete niet dat de fabel van de gelukkige natuurstaat stuk breekt op een door rigoureuze en beklemmende taboe’s gereglementeerde levenshouding. Er spreekt een poging uit, de raadselen en rampspoeden, de beangstigende krachten die over leven en dood beschikken langs magische weg te begrijpen en aan banden te leggen – er tenminste een overeenkomst mee te sluiten. Voortbrengselen in overtuigend realistische trant laten er geen moment twijfel over bestaan dat deformaties niet zijn ontstaan uit onkunde, maar uit een besef voor het prevaleren van plastische waarde. In de meeste gevallen is de voorstelling ondergeschikt gemaakt aan de plastische expressie en dat wel op voorbeeldige wijze, waarin een volmaakt plastisch evenwicht door adequate veranderingen en verschuivingen in de proporties is bereikt. Groot is de kracht die spreekt uit de dikwijls kleine werken van de volken die welhaast als oervorm van de beeldhouwer ter  wereld zijn gekomen.

GEORGE LAMPE

Spijkerfetisch (Galerie Bodes en Bode)