Matta

Gepubliceerd: 3 februari 1964 in Vrij Nederland

Al op de stoep van het Stedelijk (Amsterdam) begon het schermutselen over het werk van Matta. Een eerste treffen in een dagelijks aanzwellende stroom discussies, die af en toe de ruziegrens nadert. De werken van Matta vallen overtuigend buiten alles waarin velen zich de laatste jaren zo ijverig hebben geconformeerd. Vallen buiten de rust van wat het meest op een verstarde, bevroren revolutie lijkt; na het bereiken van het hardnekkig bevochten doel, na de consolidatie. Buiten de maatstaven die weliswaar nog tamelijk nieuw zijn, maar er toch al weer dermate goed in zitten dat men van gewenning aan een bepaalde manier van kijken kan spreken.

Matta - The Earth is a Man (1942)

Men is in de hoogste graad vertrouwd met tentoonstellingswanden vol – echt en onecht – schilderelan. Aan oorspronkelijk als bruut en barbaars ervaren verf- kleur-, en materiaalerupties, waarvan men later ontdekte dat ze een toppunt aan esthetisch genot, coloristisch epicurisme konden serveren. Veelal de schijn van een handschrift konden voorgoochelen. Een handschrift is zo persoonlijk, beweert men; hoe kunnen dan zoveel handschriften dermate onpersoonlijk op elkaar gelijken? Men is gewend aan de wijze van exposeren. Aan de critici die net aan zichzelf gewend zijn en die alles wat verder is en anders wil zijn, met argwaan bespieden. Die de passende terminologie nog niet weten te creëren. En t.o.v. de nieuwste dingen even wanhopig met de handen in het haar zittend als destijds toen ze, met de maatstaven en begrippen van de abstracte orthodoxie, het abstracte expressionisme trachtten te waarderen en te beschrijven. Men is gewend aan het traditioneel geworden avant-gardisme van galerie-exploitanten.

GRUWELVERHALEN

Men vergeet dat actueel avant-gardisme ontwenning betekent in plaats van gewenning. Derhalve is de waarde ervan o.a. af te meten aan de graad van onwennigheid. ‘Unbehagen’ voor mijn part, erdoor verwekt. Iets dergelijks kan men meemaken als men de tentoonstelling van Matta bekijkt en de discussies onder de schilders en de ‘kenners’ beluistert. De graad van onwennigheid die ik t.o.v. Matta’s werk bespeurde, is ongeveer te vergelijken met die t.o.v. het werk van Bacon, enige tijd geleden. De oorzaken die daartoe leiden, liggen in een vergelijkbaar vlak. Eerder surreële dan expressionistische benadering van de realiteit. Een verregaand afzien van de laatste tijd, usance geworden vorm-, kleur-, verf- en materiaalpatronen. Een rigoureuzer doorgezette betekenis van het onderwerp, dat toch al lang weer in opmars was, hoewel de abstracte expressionisten het nog meesterlijk maskeerden onder een lawine van ´beeldende´ activiteiten, terwijl ze het in titels sterk accentueerden. Ik sprak een schilder uit Brabant die zich ten zeerste ergerde aan de gruwelverhalen die Matta opdist. Hij suggereerde dat Matta daarmee onze aandacht afleidt van het feit dat hij eigenlijk ´rotschilderijen´ maakt.

Iets dergelijks heb ik over Bacon indertijd ook gehoord. Men verliest uit het oog dat de waarde van kunst afhankelijk is van een totaal andere zaak, die men domweg vergat, waardoor het gebaar een misleidend grote rol is gaan spelen. Men vergat dat de man achter het werk veel belangrijker is dan het beeldende, dat zonder die man verwordt tot het artistieke gezelschapsspel waaraan we allen meedoen en waarin men bedreven kan raken.

‘ROT’ GESCHILDERD

De tentoonstelling van Matta is een mokerslag tegen al dat soort bedrevenheid en gepraat over ‘het verhaal’ is ouderwets (modern ouderwets) gezeur. De waarden in beeldende kunst zijn al lang naar een ander vlak verschoven. Het is niet onmogelijk dat sinds de devaluatie van het begrip beeldend (sommigen spreken nu b.v. van visueel) de angst voor het ‘literaire’ ook weer tot het verleden gaat behoren.

We kunnen per slot niet eeuwig de slogans van de twintiger jaren blijven herkauwen. Goed dan : de schilderijen van Matta zijn, uit een bepaalde hoek bekeken, ‘rot’ geschilderd. Niet fijn in de verf, niet romig, sappig; coloristisch zijn ze soms uiterst merkwaardig, alsof iemand een goedkope kleurdoos heeft laten omvallen: ecotintjes. Er is geen sprake van hechte bouw, dat “verflichaam”. Er zijn dampigheden, slordigheden die niet esthetisch zijn; grauw, glansloos, vergeleken bij die malse kleurenfonteinen waarvan men is gaan houden. Er heerst een ontstellende vrijheid van uitbeelding, die merkwaardig samengaat met een soort dwangmatig geobsedeerd zijn door de gruwelijkheid van het leven. Een sfeer van huiveringwekkende science fiction. Een beeld van tijd en mechanisatie, marteling, ruimtevaart, attributen van kwelling, tirannie, slaafsheid, ontaarding en democratie in fascisme. De inhoud van Matta is niet te realiseren in alleen maar abstracte fraaiheden. Dampigheden en slordigheden, onafheden horen erbij. Perfectionisme, zelfs in het zgn. barbaarse, is de doodsvijand van zulk werk. We hoeven er niet zo verwonderd over te zijn en we kunne ons gelukkig prijzen dat Wols indertijd de waarden van het onzuivere en groezelige voor het schilderij heeft onderzocht.

REVOLUTIONAIRE KUNST

De kunst van Matta is geëngageerd (niet op de stupide manier van het socialistisch realisme) en vindt haar bron o.a. in de revolutionaire intellectuele vrijheid die indertijd door de surrealisten op gang werd gebracht. Als men begrijpt hoezeer het surrealisme een intellectuele beweging in de kunst was, zal men het werk van Matta beter begrijpen en tegelijkertijd de rol die hij aan het ‘literaire’ toebedeelt. Alsmede de specifieke vorm van zijn werk, dat een doorlopend ontstaan, een permanente onafheid is. Een associëren van vormen, organen, werktuigen in ruimtelijke zin; een omzetten van abstractie in realiteitseffect, een plastisch verbeelden van abstracte vormen, ze voorzien van een ijl en vaag lichaam. Een omzetten van realiteit in abstractie op een ander moment. Een vreemde en onheilspellende tussenwereld. Men zal dan ook begrijpen dat (hoewel het werk beweeglijk is geschilderd, stromend hier en daar, soms zelfs ‘schriftachtig’) het ver afstaat van de romantisch pathetiek van het expressionisme. Het heeft de koelheid van het surreële experiment, van het artistiek-intellectuele, politiek-psychologische laboratorium. Men ziet op de tentoonstelling een bezeten ontwikkeling, een koele bezetenheid. Uitgaand van de surreële doorsnee van eertijds groeiend naar een uiterst persoonlijke en voor deze tijd nog weinig bekende ontwikkeling van de beeldende kunst. Het gaat buitendien om een veel dieper gaande ontwikkeling dan alleen maar schilderijen maken. We staan voor een ontwikkeling van de moderne mentaliteit. Voor mij is Matta een kunstenaar van enorm belang, die niet slechts, zoals Bacon, een eind bereidt aan een meeslepend fonkelende periode, maar buitendien een wereldbeeld schept. Wat dat betreft, doet hij me denken aan de kunstenaars – en dan denk ik ook en misschien vooral aan sommige schrijvers – die een beeld van een epoque voor ons realiseerden, scheppers van gigantische levenswerken, bestaand uit vervolgen, hoofdstukken uit een overvolle realiteit. Het zal voor sommigen wel moeilijk zijn dit te zien, zo was het bij Bacon ook. Ook daar trof ik radelozen die niet door het oppervlak waaraan ze maar niet konden wennen, heen konden kijken en met alle symptomen van visuele pijn het hoofd afwendden.

Het is alsof Matta – die tegen kunst als tijdverdrijf en esthetische genieting is – het oog op hen had gehad toen hij zei: “Het onderscheid tussen revolutionaire en niet-revolutionaire kunst zie ik ongeveer zo: de revolutionaire kunst streeft ernaar, alle krachten, te integreren, terwijl de niet-revolutionaire kunst streeft naar het ‘meesterwerk’ waarvoor de mensen een knieval maken.”

 GEORGE LAMPE