De bescheidenheid is vaak ver te zoeken

Subtitel: Over kunstkritieken

Gepubliseerd: 23 November 1963 in Vrij Nederland

KUNSTENAARS houden meestal niet van critici en – onder elkaar – spreken ze over hen meestal nauwelijks verholen afkeer en zelfs met verachting. Het is de moeite waard na te gaan of niveau en manieren van ‘de kritiek’ zo’n bejegening verdienen of dat hier slechts – volgens de goedkoopste dooddoener – de door slechte recensies gekraakte eigenliefde of zelfs eigenwaan van kunstenaars de hoofdrol speelt. We zullen eens moeten kijken in hoeverre hun bezwaren terecht zijn, te meer daar ze buiten de verbitterd kankerende collegiale kring zelden aan het woord komen.

Het gaat om een vorm van voorlichting die duizenden lezers, luisteraars en kijkers bereikt. Waar kunstenaars en publiek met elkaar te maken krijgen, schuift de criticus zich tussen hen in en vertelt het publiek hoe en waarnaar gekeken, geluisterd enz. moet worden. Er zijn zelfs hele volksstammen die de kunst alleen kennen vanuit kritieken, terwijl het toch gaat om zaken waarmee direct contact van het grootste en eigenlijk enig belang is. Anderen nemen wel de moeite om dat contact te zoeken, maar zijn direct bereid hun mening te verruilen voor een gedrukte mening, want de primitieve opvatting dat wat zwart op wit in de krant staat waarheid is, heeft een taai leven. Buitendien gaat het publiek niet ten onrechte uit van de veronderstelling dat het met het oog op deskundige voorlichting op een krant is geabonneerd en dat de redacties inzake de deskundigheid van die voorlichting hun verantwoordelijkheid kennen. Maar de mening van kunstenaars hieromtrent is dikwijls anders en daar dient men naar te luisteren, want zij zelf op verschillende manieren in dit opzicht deskundig. Zij weten meestal precies en soms veel beter waarover de criticus spreekt, o.a. omdat ze dingen waarom het gaat, zelf hebben gemaakt, maar zijn buitendien geweldig ervaren wat betreft het aan den lijve voelen wat het betekent om voor een duizendkoppig publiek in de grond te worden gestampt of een schouderklopje te ontvangen. Heel wat kunstenaars zijn niet zozeer gegriefd door het verschil van opvatting dat de criticus van hen scheidt, als wel door de wijze van argumentering of het gebrek aan argumentering. De relatie tussen kunstenaar en criticus is delicaat en ingewikkeld. Daardoor is de relatie tussen kunstenaar en criticus op zijn minst ambivalent. Zodoende komt men onder Kunstenaars dan ook de verrassendste inconsequenties tegen. Bij voorbeeld vervaarlijke critici-vreters, die blij met een goede kritiek wapperen en er plotseling van overtuigd zijn dat de betrokken criticus ‘het ziet’ of ‘beter ziet’ of ‘meer ziet’ of ‘de enige is die het ziet’ enz. . Maar dit ligt natuurlijk in het vlak van gekrenkte dan wel gestreelde trots; dat laten we voor deze beschouwing erbuiten, hoewel het vermeld dient, om complicaties van zuiver psychologische aard als bekend aan te duiden. Complicaties die natuurlijk nauw samenhangen met de maatschappelijk, zeer onzekere, posities van veel kunstenaars die wat succes en verkoop, kortom, wat hun gehele status als kunstenaar betreft, dikwijls met angst en beven recensies afwachten. Want het komt niet zelden voor dat potentiële kopers zich door recensies laten beïnvloeden.

IK geloof dat geen enkele kunstenaar de figuur onbekend is van de eventuele koper die nog even de kritieken afwacht of zelfs met een knipsel in de hand de tentoonstelling nog eens overdoet.

Als kunstenaars eisen dat critici zich in dit opzicht van hun verantwoordelijkheid bewust zijn, praten ze geen onzin, maar wijzen op een sociaaleconomisch aspect van de kunstkritiek .Een aspect overigens dat voor critici, als ze er rekening mee willen houden, de zaak niet eenvoudiger maakt.

Wie gaat moraliseren omtrent de verwerpelijkheid van het feit dat men met zijn kritiek een slachting kan aanrichten, komt in een situatie die veel inspanning vereist om de juiste woorden te vinden. De dooddoener ‘dan moeten ze maar niet exposeren’, wie zijn werk laat zien, lokt kritiek uit’, is gemakkelijk en als kunstenaars van critici eisen dat het zich niet gemakkelijk maken, hebben ze groot gelijk. Theoretisch is het schrijven van een kunstkritiek misschien even moeilijk als het scheppen van een kunstwerk; in de praktijk is schrijven erover heel wat gemakkelijker. Ik heb zelden een criticus gezien die zich even afbeulde op de vorming van zijn mening als zelfs de maker van het beroerdste schilderij. Zelfs als het waar is dat de criticus op een andere manier zijn moeilijkheden heeft (het zien van teveel en dikwijls bar oninteressante tentoonstellingen, het probleem hoe te voldoen aan de eis een persoonlijke en toch aanvaardbare kritiek te leveren, iets te zeggen dat de moeite waard is en zijn uitdrukkingsmiddel, de taal, te beheersen) zelfs dan of juist daarom dient hij zijn werk voor zich zelf even moeilijk te maken als de kunstenaar het voor zich zelf maakt.

Ik heb al gezegd dat de persoonlijk rancuneuze sfeer aan dit probleem  niet het belangrijkst is. Als we die kant eraf schrappen, blijven er een reeks bezwaren over die gerechtvaardigd zijn en ver afliggen van altijd enigszins troebele en ongrijpbare psychologische factoren. Bezwaren die gerechtvaardigd en zakelijk, reëel zijn; zelfs als ze met grote emotionaliteit geuit worden. Het is dus niet de andere mening, de andere instelling die gewraakt wordt, maar de argumentering. Het is mogelijk dat een criticus zijn onvermogen het zo te zien als de kunstenaar op acceptabele wijze van argumenten voorziet, daarbij toch trachtend recht te doen aan de intenties van de kunstenaar. Zo iets vereist deskundigheid. Maar nog groter deskundigheid, die moet blijken, wordt vereist als men eens even een lesje gaat weggeven, als men wil aantonen dat de vorm van het kunstwerk de intenties van de kunstenaars niet dekt, dat hij in zijn vormgeving tekort schiet. Hier krijgen kunstenaars dan ook maar al te dikwijls het grootste gelijk als men de reële betekenis van op hun werk geleverde kritiek toetst aan de gegrondheid van hun bezwaren ertegen. Iedereen die stukjes mag gaan schrijven over het werk van anderen en er zijn naam onder mag zetten, krijgt te maken met een uiterst gevaarlijk verschijnsel. Beter, een gevaarlijk schijnsel, dat hij, als hij stupide genoeg is, met smaak van zich laat afstralen: het aureool van de grote deskundige. Dat is een status die gemakkelijker verkregen wordt dan die van kunstenaar. Want met die deskundigheid – die toch juist voor iedere criticus het kritieke, zeer onthullende punt kan zijn – is het soms vreemd gesteld. Evenals met de wijze waarop sommige lieden kunstcriticus worden. Soms bij puur toeval en ook wel omdat ze altijd zo kunstgevoelig waren en zo geïnteresseerd, of hun bureauladen vol gepropt hebben met onuitgegeven manuscripten, het hart vol rancune. Alleen al het feit dat men de staf mag breken over het werk van anderen suggereert dat men er boven staat; voor de doorsnee lezer zeker en als men pedant genoeg is trapt men er zelf ook graag in.

Maar wat critici al gauw vergeten is dat één criticus hen altijd vóór is: de man die het werk heeft gemaakt. En dat is voor de deskundigheid van de criticus een kwalijk obstakel. De maker van het werk weet precies wat er gebeurd is, ook al is hij dan een allerminst objectieve criticus, zelfs één die door zijn eigen emoties en moeilijkheden is meegesleept.

Maar wel is het zo, dat hij met een oogopslag ondeskundigheid afleest aan de argumentering van de kritiek, buiten alle gekrenkte narcisme om. Welke waarde dient men te hechten aan een kritiek waarin pentekeningen voor potloodtekeningen worden uitgemaakt Wat te denken van een criticus die een lithografie aan een strenge analyse onderwerpt in de veronderstelling dat het om een linoleumsnede gaat. Een criticus die werken in een gemengde techniek tracht te verklaren en dan alle materialen opnoemt die bij de totstandkoming niet hebben meegedaan, terwijl gebruikte niet worden vermeld. Wat moet men ervan denken als een schilderij sterk wordt geprezen en een paar maanden later door dezelfde ‘deskundige’ op een andere tentoonstelling niet slechts niet herkend wordt, maar buitendien als bijzonder mislukt wordt beschouwd. Om niet te spreken van een aantal gevallen waarin jeugdwerkjes werden bejubeld als merktekenen van een ‘nog altijd voortschrijdende vernieuwing en vooruitgang in het werk van de kunstenaar’, terwijl het waarlijk niet ging om mensen die t.o.v. hun jeugdprestaties achteruitgingen.

BESCHRIJVING

Men kan zeggen dat dit dingen zijn die er niet toe doen. Technische dingen die weinig te maken hebben met de artistieke zeggingskracht  waaraan ze onderworpen dienen te zijn.

Als men er zo tegenover staat moet men geen criticus worden, maar iemand die ‘gewoon de kunst op zich laat inwerken’ wat dat dan ook betekenen mag. Wie echter wel criticus wil zijn en nog nooit een penseel in zijn handen heeft gehad, of zo een beetje als amateur, moet zich goed bewust zijn tegenover mensen te staan die op dat gebied over werkelijke ervaring beschikken. Ik hoor hieromtrent ook klachten van andere dan beeldende kunstenaars.

In het muziekmilieu hoor ik niet anders. Filmkritieken worden in de regel geschreven door mensen die nog nooit een camera hebben gezien, geen filmstrook of ook maar iets weten omtrent belichting, beeldproblemen, etc. , zonder dat ze dit als een gemis voelen of er bescheidenheid uit putten. Men stelt zich allerwegen tevreden met een soort ‘kunst –is- om-te-ondergaan-instelling’ die past bij de gewone toeschouwer en schrijft dan ook over hoe men het ondergaat en maakt van daaruit een niet geoorloofde sprong naar de artistieke beoordeling. Maar dat gaat niet aan. Want evenmin als het kunstwerk tot stand komt zonder de beheersing van de materialen, zonder de kennis van de eigenaardigheden ervan, kan kritiek zonder iets dergelijks tot stand komen. Misschien zijn dat haarkloverijen die voor het publiek van geen belang zijn; maar men dient zich te onthouden van de schijn van deskundigheid als men ermee tevreden is schilderijen te bekijken op de wijze van een soort superieure tentoonstellingsbezoeker en films als een veredelde bioscoopklant. Beperk de voorlichting dan tot een poging mensen naar kunst toe te schrijven, tot beschrijving van wat er te zien is, tot het opwekken van belangstelling. Dat is dan nog net het klimaat dat men aankan.

Wie uit het voorgaande mocht concluderen dat de criticus per se kunstenaar moet zijn, heeft het mis. Ik heb gezegd dat hij deskundig moet zijn en in staat eigen ondeskundigheden te signaleren en op te heffen: alvorens hard tegen anderen te worden, het tegen zich zelf te zijn. Wat dat betreft wacht hen die in de kunstkritiek vluchten ter compensatie van eigen tekortkomingen, een beeldschone taak. Men is er nog lang niet als men zelf schildert of geschilderd heeft of jarenlang een viool in de hand heeft gehad. Want bij de deskundigheden van de criticus behoort ook het vermogen zich op zo juist mogelijke wijze van de taal te bedienen en als dat vermogen gering ontwikkeld is,  dient hij dat op zijn minst te weten en overtuigd te zijn van de noodzaak er wat aan te doen. Het beste zou zijn er mee uit te scheiden en een andere baan te zoeken. Maar soms kan men nog een eind komen door zich te realiseren dat schrijven niet per se klakkeloos hoeft te gebeuren. Buitendien is het gebruik van de taal onthullend wat betreft (on)deskundigheid. De onzinnige mystificaties waarmee men tracht kritieken van wezenlijk laag gehalte een schijn van gewicht te verlenen tonen aan hoe moeilijk het is in begrijpelijke taal duidelijk te maken wat men zelf maar half of geheel niet begrijpt.

 GEORGE LAMPE