Meer overbekend dan onbekend op Braziliaanse tentoonstelling

Vrij Nederland van 16 april 1960

‘Tante Olga” van A. Martius
Oostindische inkt

Over de grote tentoonstelling van Moderne Braziliaanse Kunst in het Centraal Museum te Utrecht kan men kort zijn. Naar dergelijke exposities gaat men met de gespannen verwachting ‘het onbekende’ te zien. In plaats daarvan krijgt men zoals in dit geval, dikwijls ‘het overbekende’ te zien.

Merkwaardig is met hoe weinig zelfkritiek men zich aan het epigonisme heeft overgeleverd, zich daarbij merkwaardigerwijs baserend op de onemotionele, puristische en orthodoxe verleden tijd van de abstracte kunst. De tijd van Mondriaan, Malewitsch en Vordemberge Gildewart,die men hier alle in slechte imitaties tegenkomt. Op zichzelf is de kunstvorm er één die de hoogste eisen stelt. Mensen als Mondriaan staan op een inderdaad eenzame hoogte.

Voor de anderen is het gevaar weggelegd , werken te vervaardigen die onweerstaanbaar doen denken aan de pogingen van een gezellig met de trekpen spelende wiskundeleraar om zijn verveling op te heffen. Zulke trekpencreaties zijn op de tentoonstelling in ruime mate aanwezig.

Abraham Palatnik

Onder de zo werkende schilders onderscheidt zich hoofdzakelijk Palatnikdoor een fascinerend surreëel effect. Zijn geometrische figuren en stromingsschema’s roepen daardoor de gewaarwording op, dat men zich in een vreemde onwezenlijke ruimte bevindt, die men bijvoorbeeld muzikaal het best met elektronische experimenten zou kunnen weergeven.

Candino Portinari

Het geval van Portinaristaat op zich zelf. Hij is voor zeker 95% zich zelf. En hij schildert op een stugge, bijna amateuristische wijze (dorre en houterige verfbehandeling) een eigen wereld in eigen vertolking. Ik moet echter bekennen van hem wel eens expressievere, ruigere en wildere schilderijen te hebben gezien die mij meer overtuigden.

Manabù Mabe

Het geheel van de tentoonstelling is eigenlijk het bewijs dat men van moderne kunst niet straffeloos de buitenkant kan overnemen. Een schilderkunstige cultuur als achtergrond is noodzakelijk. Het gaat om een ontwikkelingsproces en niet om iets waar men met een plons en een schreeuw in onderduikt om in hemelsnaam mee te kunnen doen. Dit is nu te veel gebeurd bij het werk dat men hier ziet en daardoor is het bezoek aan de tentoonstelling maar een matig genoegen. Dit geldt voor de beeldhouwkunst al evenzeer.

Een van de weinige schilders waarin men kan geloven is Manabù Mabe, inderdaad beschikkend over een eigen schriftuur en kleur.

Zijn voorbeeld (even) wordt met moeite in evenwicht gehouden door Francini in werken met een meer beschouwend en structureel karakter.

Bij de grafiek komt men eigenlijk nog het meest aan zijn trek. Misschien gaat van het materiaal een dwang uit, zich in de mogelijkheden ervan te verdiepen. Een dergelijke intensivering van de uitdrukkingsmogelijkheden van het materiaal mist men in ieder geval bij de schilderijen.

Bij de beeldhouwers treft men ieder mogelijk vormexperiment aan, op dezelfde oninspirerende wijze tot epigonisme en zouteloosheid verkommerd. Hoe anders het kan herinnert men zich naar aanleiding van ‘de vitaliteit in de Kunst’ waar beeldhouwers een fascinerende rol speelden door hun ontembare originaliteit.

GEORGE LAMPE

Friedrich Vordemberge-Gildewart (* 17. november 1899 in Osnabrück; † 19. december 1962 in Ulm). Duits graficus, schilder en beeldhouwer. Het kunstzinnige werk van Vordemberge-Gildewart wordt gekenmerkt door veelzijdigheid. Zijn scheppingen bestaan niet alleen uit schilderijen, maar ook uit reliëfs, collages en fotomontages. Daarnaast was hij als typograaf, theater- en decorschilder, meubelontwerper en binnenhuisarchitect werkzaam. Zijn nalatenschap, bestaande uit kunstwerken, schriftelijke en fotografische documenten, samen met zijn bibliotheek is sinds 1997 opgenomen in Museum Wiesbaden.

Zijn geboortenaam Vordemberge verlengde hij tot Vordemberge-Gildewart, om zich te onderscheiden van zijn gelijknamige, twee jaar oudere neef Friedrich Vordemberge. ben. Gildewart was de naam van de steeg in het historische centrum van Osnabrück, waar hij geboren was. Friedrich Vordemberge-Gildewart begon met zijn loopbaan met een opleiding tot meubelmaker bij zijn vader. Vanaf 1919 studeerde hij architectuur, plastiek en schilderkunst aan de technische hogeschool in Hannover. In Hannover werkte Vordemberge-Gildewart mee aan het avant-gardistische tijdschrift ‘Der Sturm’.

In de jaren 1919 tot 1922 begon Vordemberge-Gildewart aan zijn scheppende bestaan met het maken van abstracte reliëfs en collages en vanaf 1923 met het schilderen. In Hannover maakte hij kennis met kunstenaars als Kurt Schwitters, Oskar Schlemmer, Wassily Kandinsky en Hans Arp. Men hen wisselde hij zijn werk uit. In 1924 stichtte hij, samen met Hans Nitzschke de kunstenaarsgroep ‘Gruppe K’ op. Ook in 1924 ontmoette hij  Theo van Doesburg in Hannover. Deze bood hem het lidmaatschap aan van De Stijlgroep, die hij accepteerde.

In 1927 stichtte Friedrich Vordemberge-Gildewart de groep ‘abstrakten hannover’ samen met  Kurt Schwitters, Hans Nitzschke, Carl Buchheister en Rudolf Jahns. De ‘abstrakten hannover’ vormden de plaatselijke afdeling van de Internationalen Vereinigung der Expressionisten, Futuristen, Kubisten en Konstruktivisten. 1932 werd hij lid van de kunstenaarsgroep Abstraction-Création. Deze groep werd in Parijs opgericht door Naum Gabo, Antoine Pevsner, Auguste Herbin, Theo van Doesburg en Georges Vantongerloo in Paris..

In 1936 trok hij naar Berlijn. Onder het Nationaal Socialistische regime gold zijn kunst als ‘ontaard’. Daarop besloot hij te emigreren n vertrok in 1937 eerst naar Zwitserland en zocht daarna asiel in  Amsterdam. Daar nam hij contact op met Max Beckmann en andere emigranten. In Amsterdam bleef hij tot 1954 werken.

Tot het uitbreken van de oorlog nam Friedrich Vordemberge-Gildewart deel aan enkele belangrijke tentoonstellingen in New York, Parijs en Londen. In 1954 werd hij benoemd aan de ‘Hochschule für Gestaltung Ulm’. Daar was hij tot zijn dood op 19 december 1962 hoofd van de afdeling voor visuele communicatie.

Vordemberge-Gildewart was deelnemer aan documenta 1 (1955) en documenta II (1959) in Kassel. Hij werd begraven in zijn geboorteplaats Osnabrück. Deze stad vereerde hij hem door hem de Justus-Möser-Medaille te verlenen.