De toekomst van de abstracte kunst

WEERZIN ALS MACHTIGE DRIJFVEER

Vrij Nederland van 28 januari 1961

Als men mij vraagt: ‘wat denk je dat er met de abstracte kunst zal gebeuren’?, maak ik me er zelden van af met de dooddoener die zegt dat we niet kunnen weten wat de toekomst voor ons in petto houdt. Men verwacht dat ik het spel meespeel en buitendien gaat het om een vraag die talloze kunstenaars nu en dan bezighoudt. Want evenzeer als de beeldende kunst ingrijpender dan ooit te voren veranderde door de verschijning van de abstracte kunst, wordt haar

toekomstig uiterlijk bepaald door het wegvallen of voortbestaan – in een andere nu nog onbekende vorm – ervan. Dat er iets gaat veranderen kan men altijd met zekerheid zeggen, hoe dat zal gebeuren, wanneer en in welke vorm, niet. Een prognose stellen is een verleidelijk spel en soms een noodzaak: als het om ziektegevallen gaat. Aan een prognose dient een diagnose vooraf te gaan. Nu, die diagnose omtrent het verleden en het heden van de kunst kennen we. Men beschrijft de toestand zoals die was en is, in het algemeen met behulp van hulpwetenschappen. Een man als Hauser – afgezien of men het met hem eens is of niet – verstaat de kunst een soort cultureel universum op te bouwen uit de hulpstukken politieke en economische geschiedenis, geschraagd door sociologie en beschavingsgeschiedenis. Wat ik in dergelijke dingen altijd mis, is de kunstenaar. Ik zie alleen maar het machtig brein van de kunstgeleerde, maar ik ruik niet het zweet van de man die het heeft gemaakt.

Ongetwijfeld is het juist dat de sociaal-economische structuur van de hoog-renaissance, de invloed van de vorsten, evenals oorlogen en pestilenties, het gezicht van de kunst getekend hebben of pokdalig gemaakt. Maar wat gebeurt er op de ateliers? De buitenwacht krijgt uit al die goedbedoelde publicaties het gevoel dat de kunstenaar werkt in een soort verheven bewustzijn van al die achteraf ter verklaring aangesleepte motieven, ijverig bezig zich uit een soort beschaafd en cultureel verantwoordelijkheidsgevoel te vernieuwen, als een soort pedagogische voltrekker van de lessen van de cultuurgeschiedenis. Geloof het maar niet. De werkelijke drijfveer tot verandering is de weerzin. De weerzin tegen wat anderen en je zelf te veel en te vanzelfsprekend hebben gemaakt. De weerzin tegen de herhaling en tegen een taal die degenereert tot een grammatica die iedereen zich kan aanleren. Als ze aan zichzelf zijn overgelaten besluipt kunstenaars soms het gevoel van onlust, van grenzeloos onbehagen, gericht tegen wat anderen en zij zelf doen. Dit is het moment waarop het nieuwe kan worden geboren, alhoewel dat meestal niet gebeurt. Als men mij nu vraagt: ‘Wat zal er met de abstractie gebeuren’? doemt voor mij onherroepelijk het beeld van de weerzin op, alhoewel ik dat meestal niet zeg. Want men dient voorzichtig te zijn, om niet verkeerd begrepen te worden. In verband met de abstracte kunst en een ‘te veel’ daarvan hoef je het begrip ‘weerzin’ slechts te suggereren en alle vijanden juichen onduidelijke dingen over het einde van de abstracte kunst, dat duidelijk in zicht zou zijn. Wat mij betreft is het tegendeel waar.

SCHERPERE CRITERIA

Ik heb al eerder aangedrongen, in dit zelfde blad, op verscherping van de criteria, op bijtende zelfkritiek, op de vijandschap tegen zich zelf en tegen wat goed en lui in de hand is gaan liggen, om het behoud van de abstracte kunst te verzekeren.

Aan de kunstenaar is de zorg, zijn nieuw verworven gebieden niet te verliezen door slordig beheer. Hij is er verantwoordelijk voor dat zijn kunst geen afgelikte boterham wordt, zoals dat al eerder gebeurde met die afzichtelijke rij van in de mode geraakte landschapjes, interieurtjes, moeders met kinderen, met die eindeloze stoet van epigonen, even onverbiddelijk optrekkend als de lemmingen door Maarten Toonder in zijn nieuwste strip geïntroduceerd. Ik ben er van overtuigd dat vlak voor onze voeten een keerpunt ligt. Niet het keerpunt waarop de vijanden van de abstracte kunst zich verheugen. Zij verbeelden zich dat de figuratie ‘in zijn oude glans’ hersteld kan worden en dat dit vreugdevol gebeuren ons te wachten staat als men eenmaal ‘de onzin is gaan inzien’. Ik vind dit een povere gedachte, in mijn ogen – die volgens velen onherstelbaar verblind zullen zijn – is het terugdraaien van het wiel een belachelijke, want onmogelijke, beweging. Ik beweer niet dat figuratie momenteel op geen voorwaarde grote kunst zou kunnen opleveren. Want grote kunst is te groot om afhankelijk te zijn van bewegingen of richtingen en hangt uitsluitend af van het formaat van de lieden die er scheppers van zijn. Een nabloeier van de Haagse School als Paul Arntzenius is mij heel wat liever dan een snotneus die mijn idioom tracht na te bootsen, zonder evenveel achter de rug te hebben als ik. Ik ben er van overtuigd dat abstracte kunst het resultaat moet zijn, een omzetting van dingen die verworven zijn; in ieder geval niet iets dat zo maar aanwaait. Ik geloof niet dat kunst een afgesloten gebied is dat met degelijke oogkleppen – of ze nu van oude of nieuwe makelij zijn doet er niet toe – dient te worden doorkruist, ter wille van een stupide eenvormigheid. Beheersing van vormvergt vormkennis, liefst een alzijdige, en zonder dat is men aan vormloosheid overgeleverd. In zo’n amorfe toestand kan men nog heel best epaterend optreden, maar daar houdt het dan ook mee op.

Lynn Chadwick Maquette III

Op het moment kan een figurist heel wel een eminent kunstenaar zijn, die honderdduizend abstracte vriendjes in de zak steekt, zonder echter van grote betekenis te zijn voor wat er in de kunst gebeurt als nieuwe mogelijkheid. Het is best mogelijk dat hij honderd of tweehonderd jaar geleden een spaak in het wiel had gestoken. Maar wat wil men als Manet al heeft geleefd, Ingres tot het verleden behoort en het expressionistische portret door Kokoschka is gemaakt. Daar helpt geen moedertje lief meer

Aan de andere kant geloof ik wel dat we onderhand een verzadigingspunt bereiken, om nog maar niet van oververzadiging te spreken. Eindeloze zalen met abstracte epigonen vermoeien mij evenzeer en onnoemelijk als hun al met even weinig originaliteit tevreden zijnde landschappelijke broertjes van weleer. De één is nu wat de ander vroeger was.

STERILISERINGSPROCES

Overigens zijn de lieden die koketteren met hun gebrek aan aanstellerij me al evenmin lief, alhoewel de heer Prange graag een lans breekt voor ‘de kunstenaar die in stilte werkt’. Ze mompelen iets over: waarom geen gewoon landschapje en laten het erbij, rustig en prettig. Het doet me denken aan de impotent geworden jongens van weleer, die gemakkelijk de deugd kunnen preken, nu de kracht tot de vermeende ondeugd ontbreekt. In de abstractie heeft de weerzin zijn rol al gespeeld, en niet alleen bij de wieg ervan, toen overgeleverde waarheden niet zo waar bleken te zijn.

De opbloei van de abstracte kunst na de Tweede Wereldoorlog is ook een kwestie van afkeer, dit keer tegen een steriliseringsproces dat zich als een dodellijke ziekte in de non-figuratieve kunst voltrok. Er is een tijd geweest dat men nijver ‘het vlak in spanning zette’. Toen het nieuwe eraf was, werd ook dit een automatische handeling en een teveel ervan betekende eerder ‘denken’ dan ‘schilderen’.

Na de oorlog is de abstractie onder invloed van het experimentele, weer schilderen geworden in de primaire zin van lust in het materiaal. Er brak een tijd aan waarin men zwelgde in het materiaal als nooit te voren. Nu komt, helaas maar onherroepelijk, wat pioniers doen met voorspelbare regelmaat, in handen van hen die zich het brood – als de eenvoudigste zaak ter wereld – laten aanreiken.

Thomas grochoviak

Wat men verworven heeft is echter altijd iets anders dan wat men in de mond geschoven krijgt en als vanzelfsprekend geaccepteerd wordt. Op dit moment zijn te veel hongerige mondjes met gedachteloze vanzelfsprekendheid geopend. Het moment van de oververzadiging en het te grote gemak is aangebroken en dus ook het moment van de afkeer, de tegenzin, als eeuwige motor van de drang naar nieuw en ander voedsel.

Het is geen wonder dat juist in de bewogen boezem van de naoorlogse experimentele abstractie dat andere is ontstaan – gelukkig onbewust, maar daardoor des te echter. Het experimentele houdt een afkeer in van de eredienst van welke vorm van artistieke religie dan ook. Een verworvenheid die algauw beduimeld werd in de handen van begerige grijpers, die er een nieuw ‘systeem’ van maakten. Voor het experimentele even dodelijk als voor Dada.

De uitweg uit dit alles ligt niet in een revival van de oude figuratie, maar in een nieuwe discipline, zich onderscheidend van die van vroeger door het behoud van picturale fantasie.

GEORGE LAMPE