Hussem en Nanninga

TEGENPOLEN VAN ABSTRACTE KUNST

Vrij Nederland van 11 maart 1960

Het is geen tijdnood, – alhoewel een belangrijke factor – die de doorslag gaf tot mijn besluit de tentoonstellingen van Hussem en Nanninga in één stuk te behandelen. Vooral het besef dat het hier om tegenpolen gaat, van wat we weinig zeggend maar gebruikelijk, abstracte kunst noemen, bracht me op de gedachte dat ze elkaars reliëf slechts verhogen, te meer daar beiden onbetwistbaar ‘figuren’ zijn, niet slechts in het Haagse kunstleven maar in toenemende mate ook daarbuiten. Of er van hun werk wordt gehouden of niet, mag hierbij als criterium geen rol spelen. De geschiedenis heeft met een zekere – graag ‘objectief’ genoemde – hardheid aangetoond dat noch de haveloze bewondering noch diepe afkeer en ontsteltenis betrouwbare gegevens in deze richting verstrekken. Iemand is een ‘figuur’ als men er niet omheen kan, of men dat nu graag wil of juist niet. Deze gedachten vormden zich in mij toen ik in Amsterdam – bij Espace – het werk van Nanninga zag en dat van Hussem in het Haags Gemeentemuseum. Omdat dit Hussems eretentoonstelling is bewaar ik hem – ere wie ere toekomt – tot het laatst, te meer daar Nanninga een dergelijke tentoonstelling al achter de rug heeft.

Allereerst dus Nanninga bij Espace: een microkosmos van kwetsbare toestanden, alle gelegenheid biedend tot gevoelige bespiegelingen, een onrecht dat dit werk al talloze malen, zij het met de beste bedoelingen en in lovende zin, is aangedaan. Denkt men werkelijk één stap nader te komen tot deze kleine, onpretentieuze werken door permanent opgewonden te doen over een ‘sprookjeswereld’ en over ‘dichterlijkheid’, beide dingen die zeer zeker erin vertegenwoordigd zijn. Als we ons hiermee tevreden stellen wordt iedere dromerigheid, iedere gevoeligheid onderscheidingsloos hetzelfde – een vette hap uit de trog van kleffe sentimentaliteit. Ik wil hiermee zeggen dat er ontelbare mensen zijn die sprookjesachtig, gevoelig en dichterlijk werken, van weemoed vervuld of verlangend zijn.

Voor ieder van hen is niet deze verwantschap essentieel, maar juist de wijze waarop ze daarin van elkaar verschillen.

Wie het werk van Nanninga alleen maar als een kleurig sprookje ziet, als een toestand van ‘exquise’ dichterlijkheid, om hem daarna met de tevreden glimlach van: ‘zo, die is ook gerubriceerd’ in het kastje  van het verheven snobisme op te bergen, doet hem schromelijk tekort. Zijn werk houdt aanzienlijk meer in dan de dingen die de snobs bewegen en zakelijke burgers als teergevoelige luxe permitteren, want het is te weinig larmoyant en voor wie het kan ‘lezen’ te verloren en verlaten. In de eerste plaats dient men te weten dat het werk met de grootste verbetenheid tot stand komt, iets dat op zich zelf meer lijkt op de allerminst sprookjesachtige bezigheid van een moeilijke bevalling, een voor estheten en tijdschriftdirecteuren misschien zelfs onzindelijke bezigheid.

Nu, om alle misverstand te voorkomen: tegenwoordig is het een modieuze, dus oppervlakkige misvatting verbetenheid te verwarren met klodderige krachtpatserij. Te grote gebaren suggereren eerder kracht dan dat ze er uitdrukking van zijn. Voor Nanninga’s werk geldt dat de uitdrukkingskracht zijn middelen niet behoeft te zoeken in een spierballenshow. Het uiteindelijke resultaat  – een soort understatement – is het gevolg van een proces van verfopzetten, er weer afhalen, er opnieuw opzetten, van dingen laten staan en andere verwijderen, zonder dat de directe en lichte bewogenheid er merkbaar door wordt aangetast.

Dit is het kenmerk van zijn werk – men zou kunnen zeggen: het geheim ervan – dat dit moeizame proces zich in zijn werken nooit of nauwelijks verraadt. Men ziet dat eraan ‘gewerkt’ is. Maar het hele ingewikkelde en dikwijls wanhopige geval van opzetten en afschrappen ziet men er niet van af en het loopt niet vast in een materie die meer zegt over mislukte bedoelingen dan over de verwerkelijking ervan. Nanninga bezit, dat is duidelijk, het vermogen zijn correcties om te vormen tot een nieuwe creatieve daad, iets dat ver af staat van de ambtelijke doorhaling: het gevoel is alert gebleven.

Schilderij van J. Nanninga

Als ik het begrip ‘kunstenaarschap’ nu eens één keer gebruik zonder het gevoel iets afgetrapts te zeggen dan lijkt het me hier op zijn plaats. De vreemdheid die hij oproept heeft hij gezien in de vreemdheid, de vreemde mogelijkheid van zijn materiaal. Dat is iets anders dan sprookjes navertellen door ze te illustreren. Het is schilderen en daardoor onvatbaarder. Er is iets zichtbaar en voelbaar gemaakt. We kijken in een doorzichtige, in nerveus evenwicht verkerende wereld. Het is ons ogencontact met een andere wereld: die van een ander mens.

En nu naar de feestelijk gehuldigde tegenpool, Hussem, in wiens werk alles anders is tot de diametrale tegenstelling tot. Terwijl bij Nanninga de ruimte atmosferisch aandoet, wordt ze bij Hussem tevoorschijn gebracht – veelal – door pure en ongebroken kleurverschillen en door structuurverschillen in het materiaal. Een helder witte vlek op een overigens onbeschilderd gelaten doek roept ruimte op, ongemeen en mogelijk peilloos verdiept door de plaatsing van een zwart, het een en ander met duidelijke versmading van de trucs van een naturalistisch aandoend gezichtsbedrog. Ze zijn er onmogelijk, want ondenkbaar, niet-voelbaar, in. Het is werk dat grote onmiddellijkheid vergt en waarin een zuivere gevoelsverhouding, de ‘houding’ eigenlijk, een griezelig grote rol speelt. Wat er staat dient direct – en wat meer is – onmiddellijk juist te worden neergeschreven. Verbeteren, veranderen, weghalen: het is er nauwelijks bij. De taak die Hussem zich heeft gesteld is met recht zwaar te noemen, hoewel het moeilijk is dat sommige lieden aan het verstand te brengen, die alleen maar een doek zien waar weinig op staat. Het komt er op neer dat men met een uiterst minimum aan uitdrukkingsmiddelen een maximum aan uitdrukkingskracht moet zien te bereiken, iets wat anderen nogal eens met een overvloed van diezelfde middelen trachten te forceren. De juiste scheidingslijn tussen gebruik en misbruik van de schildersmiddelen is echter niet te trekken en wordt hoofdzakelijk bepaald door de mentaliteit, het karakter. De gevaren zijn talrijk. Ze liggen te hoop waar middels het gebruik van een vrijwel leeg doek, de beelding van ruimte verongelukt in leegte, wanner men niet de juiste verhouding kan voelbaar maken.

Ik moet zeggen dat ik bewondering heb voor het bewust en consequent kiezen van een weg die iedere charmantheid en koketterie vermijdt. De ‘on-mooiheid’ van het werk is een sterk plus omdat ‘mooiheid’ (die verleidelijk kan zijn) wordt opgeofferd aan het concrete, ondubbelzinnige, aan een duidelijke en accentloze harde uitspraak.

Ik houd dat vol tegen een ieder die hier geen begrip voor kan opbrengen, ook al is het zijn goed recht. In verband met die concreetheid heeft in Hussems werk de relatie verf-kleur een totaal andere betekenis dan bij Nanninga. Bij de laatste ontstaat kleur door ‘ontlijving’ van de verf, bij Hussem juist door er ‘lichaam’ aan te geven.

Dit grote verschil is logisch begrepen in wat deze twee, ieder voor zich, met hun werk uitvoeren. Bij Hussem prevaleert de vorm sterk, dus ook het ‘teken’, de contour, de duidelijk en klaar afgegrensde vlek en daaruit ontstaat de behoefte, de noodzaak, met het materiaal op een heel andere manier om te springen. Een zwarte, dikke pasteuze contour eist van kleurvlekken een directe ‘lichamelijke’ gesteldheid. Hussems werk kenmerkt zich door grote veelvormigheid. Men vindt er schilderijen onder met een gesausde achtergrond, die bij nader inzien ten opzichte van de tekens eenzelfde functie heeft als de schaduwloze uitgestrektheid van het onbeschilderd gelaten vlak, alleen is er nu een ‘film’ over gelegd, een schaduw die bij gebrek aan accent zelf alleen maar kleur is geworden. Er zijn er driftig geborsteld, andere kaal maar dynamisch, sommige stil en statisch, soms zijn ze alleen in wit en zwart, terwijl andere bijna uit elkaar barsten van kleur, zonder zich één moment in de richting van het experimentele en tachistische te bewegen.

In zekere zin staat hij dichtbij de abstracten van weleer, die puristisch waren, alhoewel zijn toevoeging het expressieve is. Ondanks de veelvuldige veelvormigheid twijfelt men geen moment aan de identiteit van de maker. Mismoedig moet men bekennen dat iets dergelijks vaak een probleem is.

Schilderij van Hussem, 1960

Het behoud van identiteit bij het vermogen van vorm te wisselen is belangrijk.  Belangrijker dan verstarren en zich zelf te herhalen en ook dan zich zelf in onherkenbaarheid te verliezen, keer op keer. Het is onmogelijk iets te zeggen als men het niet in zich heeft. Hoeveel men te zeggen heeft blijkt uit de mate van veelvormigheid waarmee men in staat is zulks te doen en uit de rijkdom aan dimensies die men daardoor geeft.

GEORGE LAMPE