Musea en moderne kunst

ANTWOORD AAN DR. ENNO VAN GELDER

Vrij Nederland van 6 mei 1961

Enige tijd geleden schreef ik naar aanleiding van het 65-jarig jubileum van ‘Het Stedelijk’ (museum te Amsterdam) het een en ander dat in het nummer van 1 april een nogal verontruste repliek uitlokte van de kant van H.A. Enno van Gelder. Vooral de inleiding van mijn artikel over de museale sfeer had hem onaangenaam getroffen en daartegen richtte hij dan ook zijn protest. De rest van mijn stuk had hem ingelicht over de beweegredenen van recente gebeurtenissen in de beeldende kunst en daartegen voelde hij geen bezwaar. Zijn bezwaarschrift nu, tegen mijn inleiding is gegroepeerd om twee dingen waartegen hij als ‘kunstliefhebber, bezoeker van musea en tentoonstellingen, moet protesteren’. Waar enkele misverstanden zijn protest bepaalden wil ik graag nog eens op het een en ander ingaan, alhoewel dit niet betekent dat ik geen duimbreedte van mijn opvatting zal prijsgeven. Laten wij nu die twee door de heer Van Gelder gewraakte punten eens bekijken in de interpretatie die hij er aan geeft. Volgens de heer Van Gelder suggereer ik bijvoorbeeld dat de musea na het optreden van Sandberg iets ‘menselijks’ hebben gekregen door het opnemen van moderne kunst. Dat staat nergens in mijn stuk omdat ik dergelijke onzin zelfs niet bij vergissing zou kunnen neerschrijven. Ik heb het over de sfeer en het karakter van Sandberg gehad, zijn neiging om van het museum een branding te maken, iets levendigs, in plaats van een alleen voor ingewijden toegankelijke plek vol gewijde ernst. Het museum stinkt niet meer naar het occulterige gedoe met wierook. Dat wilde ik zeggen in die inleiding, gevolgd door een beschouwing van wat er op de jubileumtentoonstelling te zien was. Inderdaad heb ik – en niet alleen omdat het een jubileum betrof – het Stedelijk met wellust de grootste eer gegeven. Het mag dan zo zijn, dat alle musea in een nieuwere sfeer werken – het Amsterdamse voorbeeld is daarbij van enorm belang geweest – het Stedelijk toont echter aan dat het niet louter een kwestie is van geraffineerd aangebrachte lichtpunten, van een perfectionistische tentoonstellingstechniek. Andere musea maken niet minder gebruik van moderne hulpmiddelen, maar worden desalniettemin niet in die mate een bruisend en hartstochtelijk levend middelpunt. Het kan zelfs gebeuren dat al die moderne hulpmiddelen met hun ijzige perfectie de afstand tussen publiek en het geëxposeerde eerder vergroten dan verkleinen.

Het gaat erom in welke geest een en ander gebeurt en niet of men een paar moderne lampjes handig weet te plaatsen en te bedienen. Kijk, ik herinner me heel best dat er voor de oorlog tentoonstellingen van moderne kunst in het Stedelijk werden gehouden. Er zijn er enkele die mij nog duidelijk in het geheugen staan: een internationale expositie van moderne kunst en een van acht grote Franse schilders waaronder Léger, Picasso, Braque en Matisse. Hiermee wil ik nog eens onderstrepen dat de veranderde positie van het museum niet van het inderdaad allang voorkomende en trouwens niet te vermijden opnemen van moderne kunst afhankelijk is. Wel echter van het persoonlijk beleid van de directeur. Dat ik Sandberg zo’n grote plaats heb toebedeeld in mijn stuk hangt voor mij niet samen met het feit dat dit jubileum onder zijn bewind viel, maar wel met het feit dat tijdens dit bewind het Stedelijk Museum een begrip is geworden voor een groter deel van het Nederlandse volk dan ooit te voren.

In internationale kunstcentra, New York, Parijs, Rome etc. is ongeveer het enige wat men van Nederland weet, dat Sandberg er woont en het Stedelijk Museum er als internationaal brandpunt gevestigd is. Dit is van ongehoord grote betekenis en verdient onze volle aandacht en waardering, waar men vroeger in die contreien over Nederland sprekend, dacht in termen van bloembollen, spruitjes, (verdwijnende) molens en klompen, met als zonderlinge onregelmatigheid in dit weinig opwindende beeld wat Rembrandts w.o. de vroeger door ons op iedere koektrommel gereproduceerde Nachtwacht.

SCHOFFEREN

Dat mijn antwoord aan H. A. Enno van Gelder niet beperkt is gebleven tot een: ‘dat heb ik niet geschreven’ of ‘hij moet beter lezen’, ligt voornamelijk hieraan, dat het stuk door hem geschreven zich zelf tenslotte onthult als een aanval op de meest recente kunst. In tegenspraak tot zijn eigen bewering dat hij het vooral gemunt heeft op mijn inleiding en niet op wat ik over ‘moderne’ kunst zei, zwenkt hij via enkele omwegen dreigend in de richting van die moderne kunst. En daar wringt de schoen als ik punt twee van de aanklacht onder de loep neem. Het gaat er om, dat ik beweerd heb (en daar blijf ik bij) ‘dat Sandberg lieden, die niet meer wisten dat ze op kunst konden reageren, heeft geleerd dat ze dat wél konden ‘al is het dan maar met haat en afkeer’. ‘Aha’ (roept dan de heer Van Gelder) dus dan toch die grote doeken met forse lijnen en felle kleuren, ‘pour épater le bourgeois?’. Hij voegt er fatsoenlijk, weldenkend en goedig aan toe, dat hij sóms, alleen maar sóms, deze boosaardige gedachte koestert, maar toch de moderne kunst niet op die ‘goedkope’ manier wil ‘afdoen’. Wie goed leest begint nu wel te voelen dat het gaat om ’t op een of andere manier afdoen van de moderne kunst, zij het dan niet op een goedkope manier. Op welke ‘duurdere’ manier dan wel? Wel, op een die alweer steunt op slecht en onvolledig lezen. Want aan mijn bewering: ‘dat Sandberg heeft kans gezien zelfs lieden die niet eens meer wisten dat men op kunst kan reageren, verbijsterd te laten erkennen, dat ze er wel degelijk toe in staat zijn’ etc. …rommelt Van Gelder kortstondig om de zaak pasklaar te maken voor zijn eigen theorie. Aldra lezen wij dan ook: “Wat mij ‘verbijstert’ is het idee als zou nu weer eens (of voor het eerst?) kunst gemaakt worden, waarop men kan reageren”. Knap is hij, die dit (buiten H. A. Enno van Gelder natuurlijk) uit de door hem aangehaalde passage kan halen. Want ik heb wél gezegd dat Sandberg allerlei mensen weer heeft geleerd op kunst te reageren, maar niet dat er ‘eindelijk’ weer eens, of ‘voor het eerst’ kunst wordt gemaakt die de mogelijkheid tot reactie biedt, in tegenstelling tot een suffig soort gedoe van vroeger. Ik denk dat de heer van Gelder Vrij Nederland wel meer leest en als hij dan ook de moeite heeft genomen te lezen wat ik in het algemeen omtrent beeldende kunst schrijf, moet hij zich herinneren dat ik de kwaliteit van kunstwerken nooit afhankelijk maak van niet of wél modern-zijn, noch van abstract of figuratief zijn, maar uitsluitend van de man die achter het werk staat, dus van de mentaliteit die er uit spreekt. Ik ben het overigens met hem eens dat vroegere generaties even sterk reageerden op Manet en Israëls en op Rousseau en Daumier. Maar dan hadden die generaties de officiële vertegenwoordigers van ‘het fatsoen’ in de kunstwereld meestal mee. Bij Sandberg doet zich nu het geval voor, dat zijn invloed in het anti conventionele zo groot is, dat waar vroeger de overheid smaak en houding van museumdirecties in hoge mate bepaalde, het nu wel eens precies andersom zou kunnen zijn, omdat de overheid bang is geworden zich klunzig te gedragen. In ieder geval is het zo, dat met Sandberg, de identificatie van de museumdirectie met het uiterlijk en kunstgeleerd fatsoen voorbij is. Bij hem in het museum is kunst geen zaak meer van vadermoorders en dat is maar goed ook, want dat is het voor kunstenaars tenslotte ook niet. Voor hen is het een zaak van hard werken, van een heleboel ‘onesthetisch’ zweet. En juist omdat Sandberg het publiek durft te schofferen, brengt hij het nader tot de menselijke, de weinig esthetische of sierende kant van de kunst.

FIJNE GEVOELENS

In het stuk van Enno van Gelder blijven enkele vragen over, die van veel groter belang zijn dan de punten waarop hij aanhaakte. Zo vraagt hij: “Waar is de mogelijkheid om langs de weg der moderne, vooral abstracte kunst al die fijn geschakeerde gevoelens over te brengen van tedere aard, van beheerste hartstocht, van liefde en leedbesef, van blijheid en humor etc. …”. Het antwoord hierop is precies hetzelfde als wanneer men ‘moderne, vooral abstracte kunst’ zou vervangen door ‘oude, vooral figuratieve kunst’. In beide gevallen zou men moeten beantwoorden dat die mogelijkheid daar is, waar zich de mens bevindt die tot dergelijke uitingen in staat is. Oud of modern, figuratief of abstract maken wat dat betreft geen verschil.

Het is natuurlijk een misverstand te denken dat tederheid, beheersing, humor enz. .niet middels de moderne kunst kunnen worden uitgedrukt. Want het is niet ‘de kunst’ die iets uitdrukt, maar ‘de man’ die door middel van kunst iets zegt. Wie het werk van Nanninga kent, zal nooit kunnen volhouden dat moderne kunst onmogelijk tederheid tot uitdrukking kan brengen. Het werk van Paul Klee is het summum van fijnheid en doorzichtigheid en van een fragielheid die in de hele voorafgaande kunstgeschiedenis nauwelijks geëvenaard wordt. En spreekt Miró niet van humor? En Appel niet van blijheid?

Als voorbeeld van zijn theorie verwijst H. A. van Gelder naar het beeld van Visser ‘de grote drie’. Na gesproken te hebben over een ‘mooi belijnde, in alle delen goed geslaagde en suggestieve (cursief van mij: G. L.) uitdrukking van machteloosheid der tegenstelling en toenadering tussen de ‘Grote Drie’, voegt hij er enigszins beteuterd aan toe dat er dan ‘maar ook niets meer dan die eenvoudige gedachte’ in zit. Nu, ik heb niets tegen een enkele eenvoudige gedachte. Ik meen zelfs dat aan dergelijke zaken een schrijnend tekort bestaat. Ik meen dan ook niet dat van Gelders voorstel om Vissers uit 3 staven bestaand plastiek te vervangen door ‘drie menselijke figuren’, ‘met armen, benen, een genuanceerde huid en expressieve of domme gezichten’ veel goed aan die eenvoudige gedachte zou doen.

Tot slot zal ik mij bepalen tot de voor mij raadselachtige slotzin van de heer H. A. Enno van Gelder. Want wat schrijft hij daar? ”We behoeven maar aan Rädekers Nationaal Monument te denken om te beseffen welk een rijkdom bij de abstractie verloren gaat, of niet tot zijn recht kan komen”. Als men al het voorgaande niet zou hebben gelezen, zou men zich een moment kunnen verkneukelen over zulk een verbazingwekkend voorbeeld van geraffineerde en duivelse ironie. Want om de zaak van figuratie te dienen en die van abstractie te bestrijden is dit Nationale Monument wel ongeveer het ongeschikste object in Nederland voorradig. Maar aan diabolische grapjes hoeven we hier niet te denken.

GEORGE LAMPE

Overgenomen uit Wikipedia:

Dr. Hendrik Enno van Gelder (Amsterdam 16 februari 1876 – ‘s-Gravenhage 24 juni 1960) was een Nederlands archivaris en museumdirecteur. Van Gelder was een lid van de familie Van Gelder. Hij was een zoon van Jan Gerrit van Gelder (1850-1917), lid der firma H. E. van Gelder tot 1899, stoomhoutzagers en houthandelaren, en Jeannette Agnes Beets (1852-1928) dochter van prof. dr. Nicolaas Beets (1814-1903). Hij trouwde in 1902 met Johanna Helena Scalongne (1876-?), uit welk huwelijk vier zonen werden geboren. Tot hun zonen behoren prof. dr. Jan Gerrit van Gelder (1903-1980), kunsthistoricus, en kunstenaar Dirk van Gelder (1907-1990).Van Gelder studeerde rechten en staatswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde in 1899 op stellingen. In 1900 werd hij aangesteld als adjunct-archivaris in Alkmaar. In 1906 werd hij archivaris van ‘s-Gravenhage. In 1912 werd hij naast die laatste functie ook verantwoordelijk voor het Gemeentemuseum Den Haag.In 1918 werd de Gemeentelijke Dienst voor Kunsten en Wetenschappen opgericht; hieronder vielen de museumcollecties, de monumenten en tot 1923 ook het gemeentearchief. Hij werd van deze dienst de eerste directeur en bleef dat tot aan zijn pensionering in 1941. Onder zijn verantwoordelijkheid werd het gebouw van het gemeentemuseum van de architect Hendrik Petrus Berlage gebouwd dat in 1935 werd geopend. Daar vonden ook de door zijn toedoen zeer uitgebreide collecties hun plaats, waaronder ook de collectie-Scheurleer, de muziekinstrumentenverzameling van de Haagse bankier Daniël François Scheurleer (1855-1927) (die ook de bankier van de schrijver Louis Couperus was). Als museumdirecteur deed hij er veel aan om de collectie ook onder de aandacht van een breder publiek te brengen, waaronder leerlingen van lagere scholen. Hij benaderde daartoe de hoofden van die scholen. In 1950 werd hij voorzitter van de Commissie ter bevordering van het museumbezoek, die de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen voorstellen deed musea in te schakelen bij de culturele vorming van de jeugd. Hij had verschillende nevenfuncties. Zo was hij onder andere secretaris van de Nederlandsche Oudheidkundige Bond, medeoprichter van het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief en redacteur van Oud Holland. In 1945 werd hij benoemd tot commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. In 1957 verleende de Universiteit van Amsterdam hem een eredoctoraat.