Neo-realisme in Arnhems museum

DE BANGE JAREN 1960

Vrij Nederland van 22 oktober 1960

De lauwe ongeïnteresseerdheid ten opzichte van de neo- of magisch realistische schildersgroep, kenmerkend voor het naoorlogse Nederlandse kunstleven, is omgekeerd evenredig aan de geen superlatieven schuwende verering die men in de jaren dertig voor hen over had. De literatoren – met diep in het vlees wortelende zucht overal een fijn verhaal uit te brouwen – zijn nog het aanhankelijkst gebleken, zoals Menno ter Braak – hij kende blijkbaar zijn eigen jongens – indertijd al voorspelde. Een omstandigheid door de meeste schilders eerder als schandvlek dan als verdienste gewaardeerd. Ik moet echter bekennen, dat ik mij, toen mij de uitnodiging van het Arnhemse Gemeentemuseum tot een bezoek aan de tentoonstelling ‘de bange jaren ‘30’ bereikte, door levendige nieuwsgierigheid gedreven, ijlings derwaarts spoedde, niet slechts geïntrigeerd door het probleem dat zulk merkwaardig wegvallen uit de belangstelling stelt, maar buitendien omdat het een alleszins merkwaardig facet onzer schilderkunst betreft. Overigens ligt de gelegenheid om nog eens een aantal dusdanig geaarde werken bij elkaar te zien, vast niet voor het opscheppen. Schuhmacher bleek op de tentoonstelling niet vertegenwoordigd, zodat we het moeten doen met Willink, Hijnckes, Ket, Koch en Mekkink. Het optreden van de schilders brengt men naar mijn mening minder geforceerd onder één noemer wanneer men ze als magisch realisten samenvat, omdat magisch realisten eigenlijk eerder een bepaald aspect van het neo-realisme vertegenwoordigen dan er zonder meer mee identiek zijn. In verband met de geaardheid van het werk zou ik er de voorkeur aan geven het magische aspect te reserveren voor Hijnckes, Koch en Willink, die naar mijn smaak problematischer en interessanter zijn dan de anderen, hetgeen op zich zelf natuurlijk geen enkele conclusie omtrent de kwaliteit van het werk rechtvaardigt in verband met picturaal vakmanschap.Mekking noch Ket bijvoorbeeld blijkt in staat tot de huilerige kitsch van die pathetisch gebarende, keurig gewassen papier-marché pop – een zelfportret van Willink, slechts in een zindelijke en netjes geplooide lendendoek gehuld – ‘de Prediker’ genaamd. Niettemin vind ik Willink in talloze opzichten interessanter dan genoemde twee, terwijl hij misschien wel nooit een zo zuiver en uitsluitend op beeldende waarden gebaseerd schilderij heeft vervaardigd als Dick Ket met zijn stillevens deed.

Willink; De Prediker

In zijn boekje ‘De hedendaagse schilderkunst in een kritiek stadium’ blijkt Willink een scherpe pen diep in het venijn te dopen – een verrukkelijk trekje van deze lectuur – in het bijzonder als het er om gaat dingen waarmee hij het oneens is op de snijtafel te leggen. Gezien dit, op basis van een niet te onderschatten intelligentie, bestaand vermogen, zou ik indien hij tot zijn eigen werk meer afstand kon bewaren (maar wie kan dat?) met genoegen kennisnemen van zijn kritiek op zijn eigen ‘Prediker’. Tegenover het werk van Willink heb ik altijd met interesse gestaan Meer met interesse dan met liefde, moet ik er bij voegen. Mijn bezwaren, soms stijgend tot onverholen afkeer, waren nooit gericht tegen de dodelijke ernst waarmee hij zijn métier beoefent, noch tegen zijn bizarre en barokke geest, maar wel tegen zijn neiging een schilderij meer betekenis te verlenen door allerlei illustratieve en literaire toevoegingen.Ik vind het betreurenswaardig als de in grote opzet aanwezige beklemming en dreiging – essentieel voor zijn werk – te gronde gaan aan theatraal effect, waardoor in uiterst ongunstige gevallen het peil daalt tot dat van het goedkoopste soort griezelfilms, met coulisse-achtige huiveringwekkende landschappen en onbehagen verspreidende tuinen en beeldengroepen. Toch liggen, als hij de verteller in zichzelf ondergeschikt maakt aan de schilder, in de schilderijen met beeldengroepen en eenzame, lelijke huizen tegen het valse licht van elektrisch geladen onweersluchten, prestaties die niet nalaten indruk te maken.

Pijke Koch; de schiettent

Pijke Koch– overigens illustratieve effecten, zij het met grotere zuinigheid toegepast, evenmin versmadend – ontwikkelt zijn vormen zuiverder; met lugubere consequentie laat hij ze voor zich zelf spreken doordat hij de inhoud van zijn werk verder onmiddellijk in de geaardheid van vorm en kleur investeert, dan zijn toevlucht te nemen tot de trucs die in Grand- Guignol niet zouden detoneren. Bij nadere beschouwing (bijv. van zijn ‘schiettent’) blijken op het eerste gezicht illustratieve toevoegingen van literaire chef-kokkerij te worden gered, omdat ze streng ondergeschikt zijn gehouden aan de picturale functie van het beeld. Ze steunen en versterken de uitbeelding van het hoofdmotief en geven daardoor het schilderij een concrete vorm. Zodoende wordt de sfeer van zijn werk zuiverder en beloofwaardiger dan in vele gevallen bij Willink, alhoewel men aan diens ernst niet mag twijfelen.

Raoul Hijnckes

Raoul Hijnckes heeft in zijn beste schilderijen een vormelijke schoonheid bereikt die niet van alle dag is en grote beheersing naast niet te onderschatten kunstenaarschap veronderstelt, hetgeen vooral in zijn eenvoudigste werken aan de dag treedt. Een dergelijke sterke zeggingskracht gaat reddeloos te loor als hij zijn doodskoppen al te opzettelijk met schijnwerpers gaat bespelen, om ze nog beklemmender onder trijpen gordijnen, in stoffige hoekjes te laten gluren. Technisch blijft zo’n schilderij altijd nog knap, maar wordt stom vervelend omdat de directe symbolische waarde van het beeld ingeruild wordt – via al te goedkope visuele middelen – tegen een weinig briljante allegorie omtrent dood en leven, slechts geschikt om brave middenstanders van de geest aan een gezellige huivering te helpen voor het ‘peilloze, het diepe’ dat toch maar achter de eenvoudigste azijnfles en het mooiste pluche blijkt te loeren. Als hij naast zijn knekelkoppen dan nog eenzame en symbolische roosjes ten tonele voert laat ik het afweten, want dan wordt het mij te gortig.

Bij Dick Ket worden ons dergelijke schermutselingen , op wat de individual-psychologie aanduidt als ‘Nebenkriegsschauplatz’, bespaard. Hij houdt zich strikt aan de picturale omzetting van zijn onderwerp, aanzienlijk minder glad gepoetst dan menigeen die graag rubriceert, aanneemt.

Mekking ten slotte gaat met wat men graag ;’stille aandacht’ noemt, zo ver dat er meer een afschaduwing van oud-meesterlijke techniek dan het beeld van een visie wordt verwekt. Het gepreoccupeerd zijn met de techniek van oude meesters is voor de hele groep kenmerkend. Alleen was bij hen de schilderwijze van een onbevangen natuurlijkheid, terwijl het hier om een – deels protesterend gebaar – teruggrijpen gaat: een stellingname tegen bepaalde verschijnselen in de moderne kunst.

Een dergelijk proces werd indertijd in Duitsland – als reactie op het expressionisme – ingeluid door een stroming die men droogjes ‘Neue Sachlichkeit’noemde. Alleen al dat men daar zakelijker bij het moderne karakter van het protest bleef, is voor mij in wezen aanvaardbaarder dan dit toch niet geheel van koketterie ontbloot gelonk met verworvenheden van het verleden.

Pijke Koch; Bertha van Antwerpen

Affiniteiten met het ‘Verisme’ zijn ook aanwezig zonder echter ooit de snijdende scherpte van Dix en Grosz te benaderen. Pijke Koch heeft in die richting toch het een en ander bereikt, getuige een van de meesterlijkste schilderijen van de tentoonstelling: Bertha van Antwerpen. Het sur-realisme is aan de magischen onder deze neo-realisten kennelijk niet onbemerkt voorbijgegaan. Toch geef ik aan de zuiverste vormen ervan de voorkeur boven onduidelijke mixtures. Liever een hele dan een halve surrealist. Natuurlijk is het een en ander een vruchtbare bodem voor de kweek van interessante theorieën en romantische interpretaties geweest. Zo was men uitzonderlijk verheugd de dreiging in het werk in verband te brengen met het door gevaren bezwangerde klimaat van ‘de bange jaren’. Profeten dus? Onze jaren zijn minstens zo bang en worden met niet minder elan verantwoordelijk gesteld voor de van magisch-realisten nogal duidelijk verschillende tachisten en experimentelen. Waar blijft dan in ons land zo hoog geroemde ‘fijne nuance’? Het lijkt me waarschijnlijker dat in de schilderijen van Willink, Koch en Hijnckes een eigen gevoel voor vreemdheid is weggelegd. Ten slotte hebben Schuhmacher, Mekking en Ket nauwelijks of in het geheel niet met angst en vernietiging gespeeld, terwijl de laatste toch in de schaduw van zijn naderende dood leefde.

GEORGE LAMPE