Picasso als wervelkolom, Klee als zenuwstelsel

DE COLLECTIE THOMSON

Vrij Nederland van 18 maart 1961

Picasso’s overrompelende en dwingende kracht – vorm geven – heeft mij eens te meer hard en diep gepakt, toen ik werken van hem zag in Den Haag (Gemeentemuseum) waar de collectie Thomson wordt tentoongesteld. Over de collectioneur Thomson zal ik niets zeggen dan dat hij opmerkelijk persoonlijk heeft verzameld. Ik zie deze collectie niet slechts als een levendig, vitaal organisme, waarvan Picasso de wervelkolom is, maar ook de onversierde drift, het onstuimig kloppend bloed, de hartstocht, het karakter, en Klee het uiterst verfijnd zenuwstelsel, reagerend met de gevoeligheid van een radiotelescoop, een wonderlijk elektronisch instrument. Men heeft zich wel verwonderd over de grote tegenstelling die hier – door de grote plaats aan Picasso zowel als aan Klee ingeruimd – is overbrugd. Men vergete dan niet dat hier sprake is van twee figuren die, hoe uiteenlopend ook, beiden een enorme invloed op het begrip omtrent de vorm hebben gehad, juist door hun onloochenbaar inzicht in wat vorm eigenlijk is en wat het realiseren van een vorm – niet als esthetisch spel dus, maar zichtbaar maken – betekent. Eigenlijk hebben beiden ons laten zien wat het werkwoord ‘vormen’, beduidt. Picasso heeft gezegd: ‘Ik deformeer niet, ik formeer’. En Klee was een van de eersten, zo niet de eerste, die abstracte vormelementen naar een als nieuw ervaren werkelijkheid terugvoerde, ze realiseerde. Buitendien zijn beiden ‘tekenaars’ en daarmee bedoel ik dat ze geen schilders zouden zijn of als tekenaar beter dan als schilder. Als ze echter schilderen, speelt het ‘teken’, de omschreven en geschreven vorm, zo’n intrigerende, grote rol – en dientengevolge een tekenachtige klaarheid – dat ik geloof hier bij alle verschillen toch nog verwantschap te hebben blootgelegd. Van Picasso ziet men werk uit zeer verschillende perioden, uiteenlopend van structuur, techniek en uitgangspunt. Opmerkelijk is echter, ook hier weer, dat na de ontwikkeling van het synthetische kubisme Picasso in de meest uiteenlopende werken een taal spreekt die zondermeer als ‘het Picassos’ is te herkennen. De blauwe en rose periode kennen we allen als bij Picasso behorend. Het analytisch kubisme, zoals hij het beoefende, had talloze diepe verwantschappen met dat van Braque. Later echter zijn die persoonlijke eigenaardigheden in de vorm, in de behandeling van de ruimte, in bepaalde vertekeningen ontstaan die wij ‘typisch Picasso’ zijn gaan vinden en die zelfs tot het ontstaan van een ‘Picassisme’ aanleiding hebben gegeven.

NOG STEEDS WEERSTAND

Tijdens mijn bezoeken aan de tentoonstelling viel mij op met hoeveel verbittering en ontsteltenis er nog altijd op Picasso wordt gereageerd, zelfs door lieden die allang de zgn, anti-esthetische cement-, zand- en verfkoeken van de ‘Structuurjongens’ verzaligd opsnoepen.

Het is duidelijk dat esthetische ‘feinschmeckerei’ zich toch liever laat voeden met de schoonheid van aangebakken korsten en schilderachtige verweringen dan met de gemoedsrust verstorende menselijke resten van Picasso. Zou hier een diep verborgen angst voor kannibalisme schuilgaan? In ieder geval vinden dergelijke lieden dat Picasso dingen doet met kinderen en vrouwen die onmenselijk zijn en weerzinwekkend. Men zou denken dat Picasso allang geaccepteerd was. Paul Klee is veelvormig vertegenwoordigd. Zo zelfs dat ik me niet kan herinneren ooit een particuliere collectie te hebben gezien met een dergelijk groot aantal werken van deze subtiele tovenaar. Een gedeelte ervan behoort tot het wonderlijkste dat door dit fantaserend brein, door deze als de natuur zelf werkende kracht is voortgebracht. Interessant is het een vergelijking te maken tussen begin en eind van deze tentoonstelling. Tussen Monet (aan het begin) en de tachisten (aan het eind) is het alsof er een ring wordt gesloten. Want wat hier van Monet hangt heeft ongetwijfeld tachistische kwaliteiten en vergeleken bij die van onze huidige ‘echte’ tachisten zijn die gering. Natuurlijk is het uitgangspunt verschillend en is er iets anders beoogd. Een vergelijking echter valt soms duidelijk in het voordeel van de late Monet uit, want als ‘tachist avant la lettre’wekt hij nergens het gevoel zijn vlekken er zomaar of bij de gratie van een gunstig toeval te hebben geplaatst. Tenslotte is dit een eis die men aan ieder kunstwerk mag stellen, dat als zodanig en niet nadrukkelijk als anti-kunst wordt aangediend. Ik weet best dat wat Monet deed een vertaling in vlekken van een naturalistisch en impressionistisch ruimtebesef is en dat wat er nu gebeurt geen uitgangspunt vindt in de ruimte buiten het schilderij, maar in die er binnen, de ruimte die tot de beeldende mogelijkheden van het vlak behoort. In beide gevallen blijft echter hoofdzaak de noodzakelijkheid van alles wat in en aan het kunstwerk gebeurde. Een van de grootste schilderijen (ik spreek over een klein doek) van de tentoonstelling, een landschappelijke Vuillard, is in dit opzicht niet minder bewijskrachtig.

BRILJANTE VEELHEID

De aanwezigheid van Gris op deze tentoonstelling is belangrijker dan die van Matisse, die bij lange na niet in zijn briljantste kracht ertussen hangt, terwijl er van Jean Gris één werk van uitzonderlijke betekenis hangt, door de zeldzame rol die het zwart er in laat spelen. In de kubistische problematiek van ruimte-opbouw met zuiver beeldende middelen van een droge sentimentaliteit die nauwelijks te beschrijven is, maar tegelijkertijd breekbaar subtiel in evenwicht en zuiver ingesteld. Gris en Léger tonen aan – ieder op andere wijze – hoe resten uit de visuele werkelijkheid – omgewerkt op een , manier – abstracter van uitdrukking kunnen zijn dan menig schilderij van extreem non-figuratief karakter. Het kernpunt ligt hier bij de behandeling van het schilderij, in de omgang met de materie, het organoïde ontstaan, tegenover de technoïde  opbouw en verstrakking. Het meegesleurd zijn van het materiaal door emotie of zindelijke beheersing ervan, hetgeen niets zegt omtrent de intensiteit, die belangrijker is dan de uiterlijkheden van de vorm.Van een drietal werken van Soutine is het portret in ware zin een meesterwerk van bewogen omgang met verf, die geen verf blijft, maar een schriftuur wordt, een psychologische beweging gegroeid tot een verfhuid die ademt en leeft en kleur krijgt. Nog twee werken die m.i. aanspraak maken op uitzonderlijke aandacht: Wols en Dubuffet. De eerste heeft de groezeligheid, de onafheid, de onvolmaaktheid tot een nieuw ruimteprobleem omgevormd, daarbij tegelijkertijd in onzuiverheden fijnheden ontdekkend. In de dingen die er naast zijn en niet mogen, mogelijkheden ziend die hem deels in de buurt van een niet scheurende en plakkende Schwitters brengen, deels in de nabijheid van een ontsporende Klee. Het verband van dit werk, niet alleen met wat er de laatste jaren in de kunst gebeurd is, maar ook met de geestesgesteldheid van juist dit tijdsgewricht is voor mij duidelijk en belangrijk. Dit aan anderen even duidelijk maken is een andere zaak. Misschien dat begrip voor Dubuffet in dit verband iets doet. Voor een wereld – tegelijk abstract en surreëel, concreet als steen, mos of schimmel even fantastisch en ongelofelijk, opdoemend uit onnoemelijke, experimenteel verwekte chaos. Het is een landschap laten ontstaan, een voorwereldlijke wereld, bijna zoals dat ooit gebeurd moet zijn. Ik memoreer verder nog als dingen om niet te missen werk van Giacometti, een nachtelijke en tegelijkertijd flonkerende Mirò, Tapiès, een in de zaal van de actionpainting excellerende Motherwell, virulent van kleur (oranje-zwart), direct en overtuigend van plaatsing. Dan is er nog een de Staël, een verticaal smal formaat in sombere heftige loodgrijzen, een Modigliani, een Morandi (beide dingen een aparte bespreking waard), Pollock, Kline, Degas, Devain, ik gooi ze onalfabetisch door elkaar, om een indruk te geven van de briljant gecompliceerde vertegenwoordiging die de moderne kunst hier, in deze collectie kreeg. Dan is er nog een bijzonder mooie Kandinsky. Ik moet het er helaas bij laten.

Over sommige figuren schreef ik de laatste jaren een ontelbaar aantal woorden en anderen komen ongetwijfeld binnenkort aan de beurt. Wie nu nog weet dat er beeldhouwwerken zijn van Arp, Butler, Calder, Chadwick, Despiau, Laurens, Lipchitz, Moore, Picasso, Renoir, Rodin en Wotruba mist op eigen verantwoording deze tentoonstelling.

GEORGE LAMPE

De verzameling G. David Thomson komt uit Pittsburg en omvat 343 schilderijen en beeldhouwwerken. Uit deze verzameling is  een reizende tentoonstelling samengesteld: One Hundred Paintings from the G. David Thomson Collection.