Schilders voeren oorlog om Max Beckmann

Subtitel: Hij was een groot kunstenaar.

Gepubliceerd: Vrij Nederland.

Met Paul Citroen voer ik al jarenlang een even vriendschappelijke als intense oorlog om de schilder Max Beckmann. Onze pal tegenover elkaar staande meningen vallen in grote trekken samen met de argumenten van bijna alle voor- en tegenstanders van Beckmanns werk. En nu met de overzichtstentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum het publiek en masse betrokken is in het appreciatie-conflict rond deze omstreden schilder, is ons conflict ook dat van het publiek geworden.

Zoals de meeste tegenstanders van Beckmanns werk stoort Paul Citroen zich aan wat hij de ‘mentaliteit’ noemt Voor het afkerige deel van het publiek, maar ook helaas voor Paul Citroen, spreekt die ‘mentaliteit’ (teveel) uit de voorstellingen die voor Beckmann aanleiding tot het schilderen waren. Dat ligt mij niet. Want voor mij spreekt de mentaliteit van een schilder helemaal niet uit het onderwerp, maar uit zijn wijze van schilderen.

Zelfportret met saxofoon

NU is het wel zo, dat men in de beginwerken van Beckmann kan zien dat hij daar het schilderen inderdaad benutte om voorstellingen te fabriceren. Later echter gebruikte hij zijn voorstellingen om schilderijen te maken. Dat is normaal: een kwestie van rijping.

De tegenstanders van Beckmann praten soms alleen maar over de psychologie en niet over de schilderkunst. Het is waar: voor wie in de eerste plaats naar de voorstelling en niet naar het kunstenaarschap kijken, barst Beckmanns werk bijkans van de symbolen, obsceniteiten en gruwelen. Maar wat moet ik beginnen als Citroen Beckmann onmenselijkheid en sadisme verwijt? Voor mij is het geen groot vraagstuk of een schilder die zich tegen beulen keert, zich identificeert met de martelaren, dan wel met de pijnigers.

In elk mens zit sadisme, maar de intentie mee te leven en te lijden met beschadigden en vernederden lijkt mij een belangrijker factor in het ontstaan van dergelijke beschuldigende schilderijen. Het stuk sadisme, dat verscholen mag liggen in het meeleven met de gemartelden, wendt zich tegen de beulen, om aan de beschuldiging een agressieve kracht te verlenen.

Géén poseur

Een andere uiting van Paul Citroen is voor ons van meer belang. Hij meent dat Max Beckmann helemaal niet zo’n groot kunstenaar was, maar veeleer trachtte te schilderen zoals hij dacht dat een groot kunstenaar dat behoorde te doen.

Hij zou ons dus wat zijn beeldende kwaliteiten betreft wagonladingen zand in de ogen hebben gesmeten. Want zegt Paul Citroen, hij was een soort Mussolini in de schilderkunst: iemand die groter wilde schijnen dan hij was. Volgens Paul Citroen legde Beckmann het er alleen maar dik op om ons in zijn eigen grootheid te laten geloven.

De hand van de schilder verraadt echter wat hij is, als in een handschrift. En we weten allemaal wel dat schilders die onweerstaanbaar en onstuitbaar willen schijnen zonder het te zijn, zich verraden door een al te nadrukkelijk ‘handschrift’. Van dichtbij bezien toont het ons nergens geforceerd gedoe met verf, nergens een poging daardoor briljant en hevig te schijnen. De enorme werking van zijn composities ontstaat juist door een manier die men bijna gereserveerd zou willen noemen.

En de ruige grootheid van zijn schilderijen ontstaat ook niet omdat hij extra ruig deed. Zijn verfbehandeling is beheerst. Heftigheid en bewogenheid in een dergelijke summiere verfbehandeling tot uiting gebracht, wijzen in de richting van een meer dan gewoon kunstenaarschap.

De mening van Citroen is mij veel waard. En daarom zijn wij beiden keer op keer gaan kijken naar Beckman om steeds dieper van ons eigen standpunt overtuigd te raken. Zo werd ik het steeds meer oneens met zijn opmerking als zou Beckmann een soort Wagner van de schilderkunst zijn, die zich van een pompeus theater bediende, waarin de allerverschrikkelijkste mythologieën ons de genadeslag zouden moeten toedienen.

De schilderijen van Beckmann zouden opera’s zijn waarin in plaats van Walküren prostituees figureren, en dan verder voornamelijk, evenals bij Wagner, domme mensen. En dat alles met de bedoeling dieper dan diepzinnig te zijn.

Nu, ik denk daar totaal anders over. En ik wijs erop, dat de Nazi´s van Beckmanns werk toch maar niets terug hadden. Zij noemden het ´entartet´. Hoe sommigen Beckmann een soort nazi/mentaliteit kunnen toeschrijven, is mij een raadsel. Want de wereld van zijn schilderijen was aan die der Nazi’s tegengesteld. Zijn werk verraadt echter wél de geboorte, in de meest bewogen revolutionaire tijd van de Duitse kunstgeschiedenis.

Beckmann nu maakte voor alles ‘schilderijen’, misschien tegen zijn eigen gevarieerde interesses en interessantigheden in. Als schilderijen dient men ze dan ook te bekijken. Met moraliseren over de mentaliteit van kunstenaars komen we niet ver.   En als men het begrip mentaliteit per se wil gebruiken, komt het er alleen op aan of die mentaliteit er één is van een grote schilder.

Welnu: gezien de bezetenheid waarmee Beckmann schilderde, gezien de kracht van zijn vormen en kleurentaal, die ondanks zijn voorstellingen tot schilderijen hebben geleid, die iedereen beroeren tot een heftig pro of contra, kan ik niet anders doen dan me verzetten tegen het mentale geknaag aan werken, die niet alleen een wereld van gemoedsbeweging uitdrukken, maar ook opwekken.

 GEORGE LAMPE