Non-figuratieven gingen niet onder in steriliteit

Subtitel: De vitaliteit in de kunst
Gepubliceerd: 9 january 1960, in Vrij Nederland

 

De kunst van het moment – tegelijkertijd abstract en niet-abstract – onderscheidt zich scherp van de nogal orthodoxe absolute kunst (vroeger noemde men dat graag zo) die we vóór de laatste oorlog kennen. Ik spreek hier over vormen van uitbeelding die in de sfeer van het non-figuratieve liggen. De tentoonstelling ‘De vitaliteit in de kunst’ in het Stedelijk Museum te Amsterdam toont duidelijk dat het niet meer gaat om de uitgewogenheid en bewust gekozen wetmatigheid. Het abstraherend werken ontvangt tegenwoordig impulsen uit andere richting. In navolging van de catalogus citeer ik uit ‘Reflex –orgaan van de experimentele groep Holland 1948’ de volgende definitie: ‘de scheppende fantasie zoekt echter in elke vorm een herkennen en heeft in de steriele sfeer van het abstract een nieuwe relatie tot de werkelijkheid tot stand gebracht, berustend op de suggestie die van iedere natuurlijke of kunstmatige vorm uitgaat voor de actieve beschouwer – deze suggestie is onbegrensd en daarom kan men zeggen dat de beeldende kunst, na een periode waarin zij niets voorstelde, thans een periode is ingegaan waarin zij alles voorstelt.’

De instelling ten opzichte van het werk is zo veranderd, dat de terminologie rond het begrip abstract in onbruik raakt, althans de manier waarop men er gebruik van maakte. Men spreekt niet meer met religieuze ernst over compositie, beweging en tegenbeweging,  statisch en dynamisch – tenzij het strikt noodzakelijk is (wat bijna niet voorkomt) – terwijl het ’vlak in spanning brengen’ definitief tot het verleden schijnt te behoren. Het gaat hier om woorden en begrippen die hun magie beginnen te verliezen. Ze hingen samen met een andere tijd, waarin men theoretisch-idealistisch naar het wetenschappelijke lonkte, ook op andere terreinen dan dat van de kunst. Het was een instelling die het toentertijd goed deed, nu echter door de Tweede Wereldoorlog achterhaald is en onmogelijk geworden. De abstractie wasvroeger een duidelijke afstammeling van Cézannes ontdekking van de wetten van het schilderij, via de kubisten tot een soort isolementsontwikkeling gebracht. Men kan zeggen: met verwaarlozing van vitale aanwijzingen in andere richting,  gegeven door Kandinsky in zijn ‘tien emotionele jaren’ ,de ontginningen van Klee (ruimtelijk-structureel) en Miró, evenals Klee af en toe surrealistisch niemandsland binnentrekkend. Voor wat er nu gebeurt was de tijd – bij gebrek aan voldoende ontluistering – nog niet rijp. Men zegt ook wel dat de vooroorlogse abstracte kunst op het technoïde,de naoorlogse op het organoïde is ingesteld. De beeldende kunst heeft daardoor weer verbinding gekregen met oorspronkelijker bronnen van creativiteit. Het schilderij is weer meer ‘schilderij’ geworden.

Tegelijkertijd is de omwenteling echter consequenter geworden en heeft meer van de conventies weggesleept dan ooit te voren. Opmerkelijk, terwijl de in congruentie tussen kunst en natuur aanzienlijk geringer is geworden. Dat komt omdat de meer op schilderijen lijkende schilderijen van nu minder de abstracte vertaling en bevestiging zijn van de idealistische wetten waaraan ook het conventionele kunstwerk zijn ontstaan dankte (althans wat de vorm betreft).Om die wetten bekommert men zich maar weinig op het moment. Talloze gunstige en een paar ongunstige consequenties zitten daaraan vast, zoals de tentoonstelling bewijst. Bij figuren als Appel, Jorn en Alechinsky komen de gunstige kanten naar voren. Men twijfelt bij hun beste dingen  niet aan de duidelijkheid van een persoonlijke uitspraak. Hun hand zal men niet licht met die van een ander verwarren. Bedenkelijk is natuurlijk als een aantal figuren zozeer van het toeval gebruik maakt (of er juist geen echt gebruik van maakt) dat de eigen aard van het toeval die van de kunstenaar gaat overheersen, die van de schilder zelf. Die eigen aard van het toeval is overal dezelfde.

Instructief is het op deze tentoonstelling de scherpe tegenstelling te zien tussen de vormende hand (ik noemde al Appel, Jorn, Alechinsky) en de hand die zoek is geraakt en ons geen teken meer geeft. Teken kan men in dit verband niet slechts als beeldende waarde, maar ook als levensteken zien. Ter vergelijking: het werk van twee schilderessen Sandra Blow en Gea Panter.

Sandra Blow - Vivace
Sandra Blow – Vivace’

Gea Panter - Huile sur Toile
Gea Panter – Huile sur Toile

De kleurvlek die Gea Panter laat uitvloeien is prachtig van kleur. Ze kan daarmee toch niet op tegen de bijzondere inzending van Sandra Blow. Daarin wordt zonder enige nadruk, met gereserveerde intensiteit een uiterste soberheid van opvatting in beeld gebracht: uiterst persoonlijk en met een grote verdieptheid in de beeldende mogelijkheden van het materiaal. Hier is geen sprake van bekoorlijke toevalstreffers.

Ik zie er weinig in om beschrijvingen te geven van de talloze werken die op deze tentoonstelling het oog met een soms niet gering geweld aanpakken. Ten slotte is beeldende kunst om te zien. Descriptieve benadering van kunstwerken hoort in naslagwerken van kunstgeleerden thuis. Men kan slechts achtergronden benaderen.

Natuurlijk voelt men bij een zo uitgebreide tentoonstelling soms ernstige bezwaren. Ik moet zeggen – alhoewel sommigen zich al weer in de strijd hebben gestort om het tegendeel te beweren – dat deze tentoonstelling inderdaad een grote indruk van levendigheid, van kracht, van lust om van alle dingen te nemen en ze te gebruiken getuigt. Dit kan ver gaan, zoals bij Burri met zijn brandgaten en gesmolten plastic, waarin hij overigens resultaten weet te bereiken die zich verwijderen van extravagante kunstje. Zelfs met inbegrip van dingen die mij matig interesseren, komt men onder de indruk, dunkt mij, van de enorme uitbreiding van het vormarsenaal door het niets ontziend experiment mogelijk gemaakt. Zij die al jarenlang de ondergang van de abstracte kunst preekten, zullen tot hun leedwezen moeten toegeven dat ze zich niet slechts vernieuwd heeft, maar bovendien de grenzen van haar orthodoxe kinderjaren heeft overschreden en daardoor tot een nieuwe volledige kunst is geworden. Het hangt slechts van de kracht van de kunstenaar af, wat hij er van maakt. Dat is altijd zo geweest. De schilders Appel, Alechinsky, Jorn, Davie, Dubuffet, Sandra Blow en vele anderen behoren evenals de beeldhouwers Martini,. Lipchitz, Couzijn, de gebroeders Pomodoro en Gavelli, tot de generaties die de kunst in het gebied van het non-figuratieve behoed hebben voor de jaren geleden voorspelde ondergang in de steriliteit.

 GEORGE LAMPE