Nul, Zéro

Gepubliceerd: 11 April 1964 in Vrij Nederland.

Naar aanleiding van de tentoonstelling ZERO-NUL in het Haags Gemeentemuseum: ze wekt nauwelijks reacties zoals men al tientallen jaren verbindt aan het begrip avant-gardistische manifestatie. Het publiek reageert lauw, is aan van alles en nog wat gewend, toont zich over het algemeen niet geschokt. Een enkele querulant poogt bij zichzelf en anderen iets van die goede, oude, gezonde verontwaardiging te wekken, zonder veel succes; klankbodem ontbreekt vrijwel. Overheersend is een licht badinerende toon, ook in sommige perscommentaren, waarmee men de zaak met ‘verfijnde’ ironie te lijf tracht te gaan (voor zover het niet gaat om niet-gecommentarieerde verwerping tenminste).

Deze toon van ‘superieure’ spot is in veel gevallen uitdrukking van een enorme onzekerheid. Men dekt zich bij voorbaat naar twee kanten. Men vindt er geen pest aan maar de zaak staat toch maar in het museum; het is een geval met internationale aspecten, men kan  nooit weten, men is dus voorzichtig, lacht een beetje, verwerpt niet helemaal, stemt niet helemaal toe, beschrijft een beetje, zegt niets, ‘houdt de weg terug’ vrij voor een (in welke richting ook) niet te beschamende terugtocht, maar kan immers niet weten hoe over tien jaar, etc.. Zij die mijn formuleringen in verband met de opvatting van de kunstkritiek wel eens hebben gelezen, zullen zich niet verwonderen dat ik een dergelijke aanpak niet ambieer. Te meer niet waar ik al verscheidene malen heb gewezen op dingen die in de tot nu toe gebezigde kunstkritische terminologie nauwelijks een juiste omschrijving vinden, maar die daarom niet minder reëel zijn. Een heel arsenaal van begrippen, aan de hand waarvan men kunst voor altijd dacht te kunnen beoordelen, kan men overboord zetten en dat geldt ook en zelfs misschien voor ‘t, een tijd lang zo bevredigend en modern aandoend potjeslatijn van de abstracte kunst. Er zijn indertijd en worden nog steeds dingen gemaakt waarop begrippen als ‘beeldend’, ’emotioneel’ ,’spanning’, etc. best kunnen worden toegepast. Maar tegenwoordig worden er ook dingen gemaakt waarop dat niet meer kan. Dat hoeft men die dingen noch hun makers kwalijk te nemen, want het feit dat de realiteit zich voortbeweegt, weg, onder het patroon van de starre terminologie vandaan, spreekt niet in het nadeel van de terminologie.

De terminologie dient de kunst te volgen in plaats van de kunst op haar plaats te nagelen.

GEEN DADA

 Dit alles klonk misschien wat droog en abstract en dat spijt mij van harte, maar het leek me noodzakelijk een paar principiële dingen te zeggen om bepaalde ridicule situaties beter te begrijpen, die ontstaan als men Nul-Zero wil benaderen volgens tot nu toe gebruikelijke paden. Komische verwarringen ontstaan als men denkt met DADA te kunnen vergelijken, iets wat ik ook wel eens heb gedaan, omdat er bij DADA is aangeklopt, maar er zit een hoop aan vast dat heel anders is dan DADA. In de eerste plaats de makers, die helemaal niet DADA zijn, al zou men dat kunnen denken als men die gezellige kiekjes in de catalogus ziet, waarop ze fijn aan het bouwen, kleven, stapelen etc. zijn. Ik bedoel dit helemaal niet ironisch. Ik ken het dadaïstische plezier aan collectief werken, knoeien, absurditeiten uitbuiten al te goed en erg lang. Al van vóór de laatste wereldoorlog; dat deden we groepsgewijs en DADA lag toen al ver in het verleden, maar we waren montere vruchtgebruikers van de erfenis van anti-kunst. Maar Zero is ernstig bedoeld en onduidelijk geformuleerd.

Aan de ene kant wil men wel van de kunst af en waarom niet, dat begrip is gedevalueerd: kunstoog, kunsthart, kunstbeen, kunstgebit, kunstvlo, kunstcriticus, kunstborst, kunstmatige inseminatie, kunstmaan, alles wat onecht is; maar aan de andere kant rekent men niet duidelijk af met de bleke schim van het ouderwetse kunstenaarschap die kwetsbaar door de showroom waart.

De vergelijking met DADA is onjuist zodra men zich niet op vormelijke overeenkomsten verkijkt. DADA bespeelde als anti-kunst het emotionele vlak en dat is precies wat andere richtingen als kunst deden of doen – ZERO of NUL wil daarvan af en komt in een vlak waar zich een groot aantal moderne experimenten ophoopt van dikwijls nauwelijks te onderscheiden strekking, door subtiele verschillen echter nooit nauwkeurig congruent; soms lijken ze nauwelijks met elkaar van doen te hebben, totdat de zaak, scherper bekeken, althans wat ‘klimaat’ betreft sterk verwant blijkt.

Dat is het klimaat dat mij door C. Blok in de catalogus prima vertolkt lijkt als hij zegt:

“terreinen van kreativiteit worden ontsloten voor totaal andere mensentipen dan de schilders, beeldhouwers en architecten die wij kennen, mensen die nog niet zo lang geleden in de kunst geen mogelijkheden zouden hebben gevonden, of zoals de beschouwer in de klassieke opvatting, tot afwachtend bewonderen veroordeeld waren”..(Cor Blok is emeritus hoogleraar Kunstgeschiedenis van de Nieuwste Tijd aan de Universiteit Leiden. Hij is werkzaam geweest in musea voor moderne kunst)

VISUELE HINTS

 Ik heb totaal geen zin om dit andere ‘mensentipe’(zoals Blok het aanduidt) af te vallen, te veroordelen, ‘belachelijk’ te maken of zelfs ernstig te nemen. Wat dat betreft ben ik ZERO t.o.v. ZERO. Als iemand tegen mij zegt: “dat is toch geen kunst meer”, zeg ik “o.k. dat is geen kunst (althans niet in de oude zin) en wat zou dat en laten we het dan ook niet als zodanig bekijken”. Ik vind het heel leuk, maar al lang niet meer verrassend als Armando vaten in het museum mag zetten en aan die vaten vind ik niks an, alhoewel ik weet en zie wat er bedoeld is en ik die bedoeling niet interessant vind,  wat in zekere zin de bedoeling is. En ik lach me rot als ik allerlei museummensen, waarvan ik weet dat ze er eigenlijk niet voor kunnen voelen, aandoenlijk hun best zie doen die te appreciëren, terwijl hun hele instelling anders ligt; maar toch zeggen ze beschaafd: “ik vind het toch wel héél fascinerend”, terwijl ze er net aan toe zijn COBRA intellectueel gaar te koken voor het moderne esthetische gevoelsleven. Het doet er weinig toe of men bouten en prikkeldraad op matzwarte achtergronden, (zeer romantisch) rook en toevalsschilderingen, watten op muren of achter gaas, kunst vindt of niet. Beschouw het niet als kunst, maar als arsenaal van visuele hints. Het gebied waarin deze mensen dan werken, is veel minder onbelangrijk dan menigeen denkt, maar de sector die ze ervan bestrijken, is waarschijnlijk onbelangrijker dan ze zelf denken.

Enerzijds zullen ze, gezien de geaardheid van de dingen waarmee ze bezig zijn, wel degelijk gevoel hebben voor de vergankelijkheid die uitdrukking van beweging is. En beweging is een van de nieuwe onderwerpen, werkelijke beweging, niet bevroren futuristische beweging. En toeval. En structuur die duidelijk wordt in het spel van licht. En emotieloze regelmaat, opbouw, technoïde graten, raten, cellen, kristallen. Anderzijds echter zijn hun theorieën nu al doordrongen van de bezwerende toon van ‘dit is geweest’(is dat zo?) en ‘gaat dat worden’(is dat zo?), een dogmatiek die moeilijk met het accepteren van vergankelijkheid, tijdelijkheid, etc. te verenigen is. Visuele hints kunnen het zijn, gegrepen uit een gebied waarin men hard zoekt naar nieuwe vormen voor een wereld die zo ingrijpend verandert dat men om bepaalde aspecten ervan tot uitdrukking te brengen naar een weinig individuele technocratische taal zoekt. Maar alhoewel zo’n taal technocratisch is, impliceert dat geen steriliteit. En omdat het hier vertoonde de neiging heeft te vervallen tot geïsoleerde maar weinig toepasselijke (te gebruiken, te verwerken) objecten, krijgen ze toch iets van (gesteriliseerde) kunstwerken.

Er zijn op het moment in aanverwante vlakken nog wel andere dingen aan de gang die in groter en meeslepender verband passen, een verband dat in wezen avant-gardistischer en moderner is. Ik denk hierbij aan de experimenten van Livinus op het gebied van lichtschildering, waarbij hij wegen bewandelt met oneindig veel spiritueler aspecten dan Schöffer (niet ZERO) of Mack en Piene (wel ZERO). Vergeleken met de dingen waarmee hij bezig is, op dit moment – en ik hoop daar binnenkort op terug te komen – heeft met zich in ZERO-NUL nauwelijks van het oude kunstwerk gedistantieerd en houdt men zich soms – wat erger is in het kader van hun opvattingen – bezig met het produceren van kunstwerkjes, iets dat ik helemaal niet erg vind; maar hoe zit het dan met de pretenties? Ik denk echter niet alleen aan Livinus’ lichtschilderingen, maar aan zijn conceptie – met de realisering ervan maken we al een begin – van ‘V. A. Nieuw Stijl’ (Vrije Academie, Nieuwe Stijl) Ook daarop kom ik uitvoeriger terug, maar ik wil verraden dat het om coördinatie en integratie gaat van het vrijspelend en expressief creatieve met de vormwereld die door technocratische aspecten van de maatschappij bepaald wordt: de rol van de kunstenaar (of niet-kunstenaar) in die maatschappij. Wat heeft hij met de vorm van de moderne communicatiemiddelen te maken (TV), hoe maakt hij de technocratische gegevens aan zich en anderen dienstbaar en aan de opvoeding van jonge kunstenaars (of niet-kunstenaars, waar ligt het verschil). Zo kunnen de ‘visuele hints’ verlost worden uit het museale isolement waarin ze tot nu toe het best floreren.

GEORGE LAMPE