Op, pop en new fig

Subtitel: Situatie van de kunstenaar nu.

Gepubliceerd: 29 Mei 1965 in Vrij Nederland.

Omstreeks het begin van de Tweede Wereldoorlog wordt de dood van abstracte kunst en modernisme niet zonder leedvermaak verwacht. De avant-garde toont vermoeidheidsverschijnselen. De abstractie gaat bedenkelijk op sterilisering lijken. De ismen zijn er niet in geslaagd het publiek in positieve of negatieve zin blijvend te fascineren. Woordvoerders van de avant-garde zwijgen of vervallen in monotonie.

Medestrijdende critici blijken tenslotte even weinig ter zake te spreken als hun tegenstanders: woorden, woorden, mystificaties. Na de Tweede Wereldoorlog steekt, tot verbijstering van allen die hoopten dat kunst weer ‘van en voor normale (!) mensen’ zou worden, ‘gezond’, een avant-gardistische storm van tot dusver ongekend geweld op. De nazi’s hebben de gebruikelijke tegenargumenten in diskrediet gebracht. De doodverklaarde abstracte kunst redt zich zelf door zich on-abstract te gaan gedragen (volgens vooroorlogse maatstaven).

Tijdelijk is het begrip abstractie niet meer populair. Het begrip realiteit wordt zo ‘in’ – en daardoor zo veelzijdig geannexeerd – dat niemand meer een duidelijk beeld heeft van wat eronder verstaan wordt. Op dat moment loopt de ‘realistische’ scala van duidelijk abstract tot onduidelijk realistisch.  In die tijd beijveren vrijwel abstracte kunstenaars zich te verzekeren dat ze ‘eigenlijk’ helemaal niet abstract werken, maar landschappelijk of zelfs ‘plantaardig’. In ieder geval zijn ze tegenstanders van de ‘technoïde’ abstractie en, zeer ‘on-Mondriaans’, voorstanders van de ‘organoïde’. Er ontwikkelt zich een kiem die tot vandaag als ‘nieuwe benadering van de realiteit’ kan worden samengevat. Maar op dit moment ziet men nog maar vaag wat de consequenties van zo iets kunnen zijn.

Men kan stellen: voor de oorlog ontwikkeling van realiteit naar abstractie, daarna van abstractie naar realiteit. Abstract expressionisme (Appel, etc.) dringt door tot musea, tot openbaarheid, tot roem,tot warenhuizen, tot TV, tot gordijnstoffen, tot zomerjurken. Ook tot critici en theoretici,die snel pogen voor de eerste decennia weer grond onder de voeten te verwerven. Ze voorzien de consequenties niet van het feit dat de tijd voorbij is waarin kunst niets meer mocht voorstellen, nu daarentegen juist weer alles.

Kunstenaars kunnen, omdat ze creatief zijn, niet stilstaan bij de opvattingen van theoretici. Een groeiend aantal trekt conclusies uit de steeds duidelijker aan het licht tredende kiem: nieuwe confrontatie met de realiteit. Er ontstaan richtingen die minder met het vertrouwde ‘Appeleffect’ dan met het vooroorlogse (na-Eerste-Wereldoorlogse) dadaïsme en surrealisme te maken hebben. De lijn van de ironie, de absurditeit, de nihilistische kritiek, bijna verstikt onder tonnen abstract-expressionistische verf wordt weer opgehaald, zoals herinneringen aan constructivistische Bauhaus-kanten.

Men noemt die richtingen: Zero, Nul, nieuw realisme, nieuwe figuratie, neo-dadaïsme, recherches d‘art visuel, Pop Art en (zeer recent) Op Art (optic art). Kleine kruimeldiefjes, epigonen, lopen ijverig (maar 10 jaar achter), uit angst niet ‘in’ te zijn, graantjes te pikken. Op enige afstand gevolgd door de kritiek.

Nu enige informatie over de situatie van kunstenaars die geëngageerd willen blijven:

Volgens berichtgeving van l’Express:

Belgisch suikermagnaat en collectioneur van wereldformaat Dotremont stoot zijn Pollock, Tobey, Calder en Rauschenberg op een publieke veiling af. Op een moment van New-Yorkse artistieke hoogspanning en verbijstering. Want nauwelijks is de Pop-explosie verstomd of Op Art stort zich op de stad. Signaal: de grote retrospectieve in Museum of Modern Art: The Responsive Eye. Kwispelend gevolgd door 20 galeries en door een horde voor windrichting gevoelige kranten en theoretici.

Men wordt wakker en ’s nachts blijkt Op Art te zijn ‘gemaakt’. Een soort putsch.

Het een en ander schijnt geen onverdeelde meevaller te zijn geweest, alhoewel in enkele weken het totale artistieke beeld erdoor uit zijn voegen is gelicht. De optische spelen(concentrische cirkels, geometrisch opgebouwde structuren, bewegings- en lichteffecten, etc. ), slecht gepresenteerd, vermoorden elkaar.

Marcel Duchamp (iemand die toch tegen en stootje kan – of niet meer?):

“Op Art houdt het niet vol. De collectioneurs kunnen niet profiteren van hun werken. Ze zijn genoopt ze tegen de muur, achterste voor, op te hangen, willen ze aan zeeziekte ontsnappen

Tijdens de vernissage kregen twee dames in ieder geval last van duizelingen, iets als hoogte-, diepte-, ruimte- of bewegingsvrees en werden doodziek” De situatie is dynamisch. De ene mode vernietigt de vorige drastisch. De pers past zich aan in pittige nouveau-stijl.Kunstenaars raken gefrustreerd, alhoewel ze er financieel wel bij varen. Wat bij hen originele creatie is, wordt nog vóór van hun succes hebben kunnen genieten gegapt, vervalst, geïmiteerd.

New York wint het van Parijs door vitaliteit en hardheid.

Het publiek stroomt toe: gefascineerd, geïntrigeerd, ‘puzzled’, geprikkeld.

Collectioneurs kopen alles, veelal uit snobisme,zeker om van grote fiscale faciliteiten te profiteren. Het werkt magnetisch op Europese kunstenaars. Men ziet er: Spoerri, Arman, Sonderborg, Alechinsky, Christo, Tinguely, Niki, de Saint-Phalle, Engelse Popartists.  De schilders discussiëren niet meer over kunst. Ze vechten om een plaats in de society. Men profiteert onverzadigbaar van hun ideeën – voor illustraties, publiciteitsmedia, etc. – zonder hen overigens te begrijpen.

‘Pop Art is dood’ klinkt het uit de monden van museumdirecteuren en critici. Een frustrerende situatie voor hen die recent succes verwierven Wat is er met de wereldberoemd geworden jongens van N.Y.? Ze zijn niet happy met zich zelf. Storten zich in nieuwe avonturen,terwijl onze eigenste kruimeldiefjes lui dagdromen in de waan nog wel 10 of 20 jaar vooruit te kunnen.

Maar aan de overkant gaat het snel. Rauschenberg houdt zich momenteel bezig met ‘tableaux électroniques’.

Jasper Johns heeft zich teruggetrokken in Edisto Beach om rust, nodig voor vernieuwing’ te vinden.

Warhol: occupeert zich met de cinematografie.

Claes Oldenburg ‘mediteert’ over een nieuw begin.

Roy Lichtenstein bedrijft keramiek, geëmailleerde ‘explosies’ in de vorm van bas-reliëf.

Rosenquist wil de schilderkunst vaarwel zeggen: ze dient tot niets.

Naum Gabo

Wat gebeurt: uitbuiting van naakt en seks. Vlucht uit het schilderen naar film en dans. Terugkeer van de technoïde abstractie in het vlak van optische experimenten, verwant aan een laboratoriumsfeer. In Judson Church, de kerk van de avant-garde, dansen Yvonne Rainer en de schilder Bob Morris naakt in belichtingseffecten van Rauschenberg

Tegen deze achtergrond kan men een aantal tentoonstellingen in het Stedelijk Museum zien: Nul, Gabo, Ulm, Marzottoprijs, Livinus. ‘Zien’ bedoel ik en niet ‘moraliseren’.Want in deze exposities spreken actuele dingen het sterkst als echte nieuwe informatie of vinden, b.v. in Gabo, een soort bevestiging in het avant-gardistische verleden.

Zo’n achtergrond leert dat alles wat over kunst gezegd wordt, onwaar kan zijn, gedeeltelijk waar, in ieder geval behartenswaardig relatief. Hoezeer bepaalde aspecten tijdelijk prevaleren, andere facetten leven in de schaduw door tot het licht ze weer treft, of tot ze door een geheimzinnige motoriek weer omhoog gestoten worden.

De principes van de Hochschule für Gestaltung, Ulm, zijn een voortzetting van bepaalde constructivistische, technoïde kanten van het Bauhaus. Het mag dan industriële vormgeving zijn, de relatie met structuren, repeterende vormen, reflexies, zoals mensen van Nul, etc. als taal van deze tijd aanbieden, is onmiskenbaar. En de constructivist Gabo kan men dus als voorloper zien van waaraan de invloed van wetenschap en techniek, de ontwikkeling van moderne urbane levensvormen niet is voorbij gegaan. Zoals Gabo vast niet aan Constant van New-Babylon is voorbijgegaan. Ook de foto-peintures van Livinus, zijn lumo-dynamische machine, zijn chrono-peintures, zijn abstracties die zich voortbewegen in de richting van een gevoeligmaken van de techniek om er de functie aan te kunnen geven van esthetisch communicatiemiddel, een absoluut hedendaagse uitdrukkingsmogelijkheid voor menselijke betrekkingen.

De Marzottoprijstentoonstellingen met elkaar vergelijkend valt op dat nu de meest recente vormen misschien wel niet kwalitatief het meest aangrijpend zijn, maar in ieder geval qua nieuwsinformatie het intrigerendst. Overigens is de situatie van de kunstenaars minder koel dan de werken van Nul etc. suggereren . Men heeft het moeilijk met het innerlijk.

Wie Armando leest –  als theoreticus – krijgt de indruk van innerlijk verzet tegen het innerlijk van de kunstenaar,zoals we het inderdaad tegen hebben moeten eten door volle happen abstract-expressionisme. Ook Schoonhoven redeneert in technisch-wetenschappelijk aandoende trant. Maar anderen zoals Heinz Mack (de man van de fascinerende lichtdynamo’s ) spreken op geëmotioneerde toon, romantisch bewogen, over hun technisch-romantische wonderwerken. Hij schrijft over de oorsprongen van zijn werk: “Eine schwarze Katze im weissen Schneefeld; weil sich das keine Schwarz bewegt, ist es so stark wie das Weisz, obwohl dies unendlich ist. Die Stärke der grossflächigen Ruhe; aber die Stärke der kleine Unruhe: eine schwarze Katze läuft durch den Schnee”, enz. enz..

Bij zo iets denk ik toch aan nu bijna een halve eeuw geleden geschreven teksten van Kandinsky, of aan zijn gedicht “Blaues, Blaues, hob sich und fiel, Spitzes, Dünes drängte sich durch” enz. enz. .

De hele technoïde kant gaat steeds meer de richting uit van een soort natuurlyriek: rimpelingen in het water, spiegelingen, oneindige herhalingen, ritmeringen, kosmische ademtochten, alles verpakt in het technoïde uiterlijk van deze tijd: aan de ene kant automaten bouwende dichters, die bezeten zijn van golfslag, de beweging van gras, de speling van licht en tegelijkertijd gefascineerd door de straffe bekoring van mechanismen, computers, artificiële geheugens.

Het is een zware afrekening met de afrekening die Cézanne het impressionisme aanbood toen hij dacht voorgoed de afhankelijkheid van het schilderij van het licht ongedaan te maken. Er is hier sprake van een wonderlijk technocratische en technologische revival van het impressionisme. Als toch, ondanks Cézanne, alles beweegt, spiegelt, ritmeert, etc., waarom dan niet die bewegende werkelijkheid met de middelen die ons ten dienste staan omarmd?

Wat een tijd: aan de andere kant de andere opvatting van realisme. Betrokken op de urbane maatschappij. Op de stedelijke en niet op de landelijke folklore.

Dikwijls werkend met conventionele schildermiddelen ten bate van een nieuwe inhoud of direct ‘lichamen’ uit de realiteit in het kunstwerk onderbrengend, duidelijk figuratief en met een bedoeling .Ironiserend, agressief, vol bewondering voor de urbane folklore en allegorie, de landelijke ‘vruchtbaarheid’ tussen de korenaren vervangend door de waarschijnlijk frigide seksbom, het murmelen van het beekje door de jukebox, twistend, shakend, absurd of vervuld met een diep afgrijzen, mensen die eruitzien als collages, collages die eruitzien als mensen en daartussen, ‘puzzled and puzzling’ gezichten, lichamen.

Met spanning kijk ik uit naar het armageddon waar de twee, beide in naam van de god ‘Realiteit’ oprukkende legers elkaar zullen ontmoeten, vernietigen of in elkaar opgaan om de smeltkroes te worden voor processen die ik niet zou willen missen.

 

GEORGE LAMPE