Schilderkunst in de twintigste eeuw

Subtitel: Uitstekend boek van Werner Haftmann.

Gepubliceerd: 22 Januari 1966, Vrij Nederland

De avond voor ik dit schrijf, vraagt een vriend wat ik denk over de dooddoener: Kunstenaars zijn hun tijd vooruit.

Ik vind dat ze precies op tijd zijn en de rest, die de bittere pil van het onbegrip met dergelijke slogans tracht te vergulden, bij zijn tijd achter.

Dit was het antwoord waarop hij had gehoopt, zodat we fijn verder konden praten. Het is in feite even onzinnig te beweren dat kunstenaars hun tijd vooruit zijn, als te zeggen dat zo iets het geval is met wetenschapsmensen, technici etc. ,die op een niveau bezig zijn waarvan de meesten nauwelijks besef (behalve via science fiction), laat staan weet hebben.

T.O.V. deze categorie erkent men gemakkelijker dat men achterblijft en lijdt men minder aan stekend minderwaardigheidsgevoel, zodat men zelden of nooit eigen onvoldaanheid tracht te neutraliseren door te spreken over ‘vooruit zijn op de tijd’ of – in negatieve zin – over ‘ontaarding, krankzinnigheid en oplichterij’.

Ik las ook een publicatie van de Boekmanstichting naar aanleiding van een conferentie over kunst en communicatie. Daaruit is mij gebleken dat men hier en daar twijfelt, ontkent of er niet in gelooft dat kunst in alle gevallen communicatie betekent.

De in mijn aanhef aangesneden problematiek toont dat een dergelijke twijfel niet ongerechtvaardigd is als een groot deel van het publiek zo ver bij bepaalde aspecten van zijn tijd achterblijft dat er sprake kan zijn van geen, gebrekkige of gestoorde communicatie ten opzichte van een aanzienlijk deel van de moderne kunstuitingen.

Dat men op gordijnen, kussens, jurken Appel- en Picassodessins (recent Mondriaan en Opartpatronen) aantreft, is eerder een bewijs voor deze opvatting, dan dat er – zoals wel gesuggereerd wordt – sprake zou zijn van reële toenadering tussen moderne kunst en publiek. In zulke gevallen gaat het alleen om uiterlijke sierende bruikbaarheid en is er in geen enkel opzicht sprake van communicatie met een inhoud, een diepgaand verkeer.

Nu ik het boek van Werner Haftmann: ‘Schilderkunst in de Twintigste Eeuw’(uitgave Lemniscaat, Rotterdam, vertaling en bewerking Victorine Hefting, oorspronkelijke titel ‘Malerei im zwanzigsten Jahrhundert’) voor u moet bespreken, kon ik dergelijke inleidende gedachten, als boven vermeld, niet weren. Want men kan de stroom van fraaie prachtwerken, reproducties, albums en Tv-programma’s eensdeels duiden – dat doet men bij voorkeur – als verbetering van de relatie tussen publiek en kunst, anderzijds kan men echter stellen dat al deze zaken hulpstukken voorstellen, waarmee een gebrekkige of ontbrekende communicatie op gang geholpen moet worden.

Het boek van Haftmann kan men als zo’n hulpstuk – van hoge kwaliteit – zien. Zo is het ook kennelijk gewaardeerd door prof. Dr. H. L. C. Jaffé en J. C. Ebbinge Wubben.

De eerst zegt: ‘Haftmanns boek is naar mijn mening het beste werk over de ontwikkeling van de hedendaagse schilderkunst’

De tweede: ‘Hier nu ligt m.i. de bijzondere betekenis van Haftmanns boek, dat het als geen ander de weg wijst naar een begrijpen van de wereld van de moderne kunst en daarmee van de wereld waarin wij leven’.

De moeilijkheid bij dit soort werken blijft intussen, dat, zou men een breder publiek naar de moderne kunst willen trekken, men een overmatige scheut popularisering, evenredig aan de overmatige luiheid van een groot deel van het publiek, zou moeten toevoegen.

ZONDER PIERRE

In deze populariserende zin gezien, maakt Haftmann het echter deze trage geesten niet gemakkelijk. Daarvoor is het boek uit te diepe interesse geschreven. Buitendien door iemand die zo bloedserieus is, dat hij geen moeite spaart om op ‘hoog niveau van gedachte’ te belanden. Hetgeen overigens niet betekent dat hij, ondanks zijn gewetensvolle aanpak, zijn denken en formuleringen altijd op de meest exact manier toetst.

De lichte en toch geëmotioneerde ‘Pierre Janssen-bevlogenheid’ ontbreekt eraan en dat staat drastische popularisering in de weg, maar vind ik toch – in dit geval – geenszins een gemis.

Van de vertaalster moet het echter wel het een en ander gevergd hebben, want het boek is eigenlijk zeer Duits – als men in staat is ‘Duits’ niet in negatieve zin op te vatten – en zo iets is voor de vertaling geen sinecure.

Het boek is vooral ingericht op KIJKEN: naar 1000 afbeeldingen en 50 kleurplaten van het werk van 270 schilders, die op een of andere manier het gezicht van de moderne kunst aan zijn trekken hebben geholpen. Alhoewel de tekst een niet onbelangrijk deel van het boek beslaat en gelezen dient te worden.

In ieder geval ontstaat uit het illustratiemateriaal een meeslepend beeld van het universum van de moderne kunst, indrukwekkend, omdat men het gevoel krijgt inderdaad met een wereld geconfronteerd te worden. Alhoewel het om kunst gaat, in zijn totaliteit een realiteit of een afspiegeling van realiteit, want even gecompliceerd, ingewikkeld, vol tegenstellingen en (gedeeltelijk ondergrondse) verbindingen, onderlagen, bovenlagen, beweegredenen, krachten, vormen, kleuren, motieven. Noodzakelijke ingrediënten, waaruit werkelijkheid als samengestelde, polyinterpretabele toestand kan ontstaan.

De moeilijkheid bij de vervaardiging van dergelijke communicatorische hulpstukken als dit boek blijft natuurlijk, voor auteur en vertaalster-bewerkster, liggen in het feit dat beeldende kunst haar essentie ontleent aan dat wat eigenlijk met woorden niet op dezelfde manier uit te drukken valt, verbaal hoogstens dicht benaderbaar is, als men precies weet wat men moet zeggen en vooral hoe men dat moet doen.

Het is bijna onvermijdelijk dat in dergelijke teksten gedeelten voorkomen die eerder mystificerend dan onthullend zijn. De lezer dient zich altijd bewust te zijn dat op grond van verbale ‘slechts-benaderbaarheid’ van hem de bereidheid gevergd wordt tussen de regels door te lezen en zich te realiseren dat de nuchterheid van het denkproces wel eens te lijden heeft onder de wens meeslepend te zijn, diep te zijn, weet-ik-wat-niet-al te zijn, ten koste van alles communicatie tot stand te brengen.

Alhoewel het voor mij de vraag is of dat altijd lukt in gevallen waarin men onklare taal spreekt.

TUSSENWEZENS

Haftmann schrijft:

“Met de nu geprepareerde en aangewende middelen is ons een procedé in handen gegeven om uit de, door het praktische leven toegedekte lagen, mededelingen uit ons binnenste aan het licht te brengen en aanschouwelijk te maken; iets waartoe de afbeeldende schilderkunst niet in staat was.

Toestanden worden zichtbaar, momenten van het menselijk bestaan krijgen duurzaamheid, het vlak wordt een schrijfbord waarop zich al onze, door de figuratieve uitbeelding niet te vatten voorstellingen van hartstocht en angst, van geluk en harmonie in direct schrift laten optekenen”.

Dit is zeer aanvechtbaar gesteld. Een blik op de afbeeldingen leert ons dat. Want figuratie speelt onder de afgebeelde werken een enorme rol, figuratie in allerlei vorm. Figuratie die in het algemeen aanzienlijk minder ruimte laat de door Haftmanns aangeduide emotionele nuanceringen mis of anders te duiden.

Het komt echter voor, dat, om de essentie van bepaalde, bij kunstenaars werkzame, beweegredenen op anderen over te brengen, men, en dat doet Haftmann, deze specifieke achtergronden als een soort objectieve waarheid interpreteert. Min of meer propagandistisch en uit de wens niemand en niets te kort te doen. Uit angst niet het totaal van de moderne kunst voor ieder acceptabel te maken.

De argumentering verloopt dan ook niet altijd consequent. Want als Haftmann het ten slotte heeft over de hedendaagse figuratie zegt hij dan:

“Het vreesaanjagende en vreemde van deze tussenwezens treedt op als een toegespitste uiting van de in de moderne mens diep verankerde angst om de natuur, die waarschijnlijk wel een kant is van de gevaarlijke relatie van de hedendaagse mens tot de vreselijke natuurkrachten die hij opgeroepen heeft.

Deze angstaanjagende zinnebeelden paste Francis Bacon op de mens toe. Hij verhitte zijn fantasie aan de straatscènes der grote steden en de weerschijn ervan in films, tijdschriften en geïllustreerde bladen, met hun tandenblikkerende filmschoonheden en schreeuwende politici op de omslag en de fantastische catastrofen van de technische wereld op de binnenpagina’s.

Deze geïsoleerde werkelijkheidsflarden, die als schokken op de gevoeligheid van de moderne mens neerkomen, hallucineerden Bacons kijk op de dingen. Overal in de bedrijvigheid van het moderne levenstoneel ontdekte zijn bezeten blik in het beeld van de mens zelf de ‘imago’ van zijn angst”.

Dat is andere praat – wat betreft figuratie – en minder aanvechtbaar gesteld.

Zulke aanvechtbaarheden maken het boek echter niet minder de moeite waard. Waardering zonder kritisch besef is onmogelijk: een onzinnigheid.

De indeling van het illustratiemateriaal in grote groepen, betrekking hebbende op bewegingen, dan weer op kunstontwikkeling in bepaalde landen apart, in bepaalde tijdvakken is de basis voor alleszins interessant en fascinerend ontwerp van een uiterst geschakeerd kunstpanorama.

Ook hier af en toe een vraagteken: Er is een gedeelte: Duitsland tussen de wereldoorlogen. Daar vindt men afbeeldingen van Kandinsky’s uit 1939, 1940 etc. .

Zo zijn er nog een paar voorbeelden, die – en dat vind ik, gezien de importantie van het boek, jammer – juist in het illustratieve gedeelte van het boek, de werkelijkheid onrecht doen. Juist wat betreft een tijdperk waarin de beruchte ‘entartete Kunst’-opvattingen meespeelden, is dat een beetje vervelend.

Maar het is moeilijk om te zeggen waar men precies kunstenaars in dit tijdsgewricht moet indelen. Het is al even moeilijk Kandinsky als Duitse kunst onder te brengen, als Max Ernst bij de Franse en Beckmann of Mondriaan bij de Amerikaanse of Nederlandse in te delen.

Men kan de tegenstrijdigheden die in dit werk voorkomen, o.m. zien als afspiegeling van de tegenstrijdigheden die het beeld van de moderne kunst bepalen.

Mijn kritische geluiden zijn niet bedoeld om de rang, de stand, de plaats van het boek te verkleinen. Ik leef teveel in het besef, dat datgene waarop geen kritiek mogelijk is, datgene wat vlekkeloos is , menselijk dor en vervelend is. Het gaat om een problematisch boek, waarin met een problematische werkelijkheid is getracht rekening te houden en af te rekenen. Juist de twijfels en weifelingen, de onzekerheden en tegenspraken, in dermate monumentale vorm gebracht, geven misschien meer weer van de verwerking door hedendaagse mensen van hun hedendaagse werkelijkheid, door middel van kunst, dan volkomen gave theorie, die toch nooit meer dan theorie kan worden.

GEORGE LAMPE