Pioniers blijven heersen in de schilderkunst

Subtitel: Collectie Ragnar Moltzau in Den Haag.

Gepubliceerd: 25 Mei 1957 in Vrij Nederland.

Jammer, dacht ik toen ik het Haags Gemeentemuseum verliet na het zien van de ‘Collectie Ragnar Moltzau’. Het was een ontmoeting geweest met een verzameling die als diepste indruk de spijt achterliet, dat ze niet tot de bezittingen van het museum behoort. In lange tijd zag ik geen particuliere verzameling die zou kunnen tippen aan de hoge kwaliteit van die door deze Noorse verzamelaar bijeengebracht. Van Gogh mist men er, en dat voelt men in deze unieke verzameling als een leemte, maar Bonnard is er en dat maakt veel goed. Van deze coloristische tovenaar hangen hier enige werken, waarvan het kleinste ongetwijfeld het grootst is. Zo ooit dan is het hier verantwoord te spreken van een schilderij met ‘houding’. Dat is dan: de zuivere houding van de maker jegens zijn werk en problemen zuiver tot uitdrukking gebracht. Het is een klein stilleven, uitgaand van een fruitschaal, zonder opvallende afwijkingen van het gegeven, geworden tot een andere realiteit. De poëtische realiteit van het cloristisch-bezielde Bonnard-schilderij: de eigen wereld van de schilder.

Het is interessant Bonnard te vergelijken met de hier eveneens vertegenwoordigde Renoir. De afstand tussen deze twee bestaat niet slechts in de tijd maar vooral in de mentaliteit. Beider werk toont coloristische weelderigheid. Maar bij Bonnard wordt het oppervlak veel meer tot uiting van een intens beleefde gemoedsgesteldheid, van een geestelijk klimaat ook, dan bij Renoir. Bij de laatste krijgt men het gevoel dat het scheppingsproces zich meer aan de oppervlakte van een ontembare en vreugdevolle lust tot schilderen afspeelt. Alhoewel vanuit een totaal andere bewogenheid geschilderd, nadert dan een kleine Kandinsky uit vóór-abstracte tijd veel meer het niveau van wat kleurvertolking in diepste wezen is en het peil waarop. Jammer is dat in deze collectie geen werk van de latere, vroeg-abstracte Kandinsky is te zien. Van Vlaminck is er een bijzonder fraai landschappelijk gegeven uit zijn fauvistische tijd, die hij naar mijn gevoel later nooit heeft overtroffen. Het is een met diep roden geschilderd werk, tegelijkertijd emotioneel en constructief. Met alle elementen in zich die toentertijd een nieuwe vorm van het ‘beelden’ beloofden.

Gauguins portretje van zijn moeder is een waarschijnlijk niet ten onrechte aantrekkelijk punt van de tentoonstelling. Toch meen ik er de eigen vlammende, bloeiende ‘Gauguinkwaliteit’ een beetje in te missen. Daarentegen staat de geslotenheid van vorm die het silhouet een beheerste spanning geeft en waardoor de psychologie van het gegeven de beeldende kwaliteit als schilderij niet aantast.

Munch ontbreekt natuurlijk niet in deze Noorse verzameling. Bij de ontwikkeling van het Duitse expressionisme heeft zijn werk een rol gespeeld, hetgeen men goed begrijpen kan als men de sombere en symbolische geladenheid ziet waarmee hij zijn onderwerpen behandelde. Niet slechts de ritmiek en de opbouw van zijn schilderijen wijzen in die richting, maar ook het feit dat ze overvol zijn van ‘Ahnung’ en de weg vrij maken voor een zekere hysterie van het beeldend vermogen. Dit laatst dan te verstaan als een poging een gevoelsbasis te scheppen, waarbij men de overspanning niet schuwde.

Nieuwe grondslag

Bijzonder mooi en overtuigend is de zaal waarin we Picasso, Braque en Léger aantreffen. Wie zich afvraagt wat er nu eigenlijk bedoeld wordt met een nieuwe constructieve grondslag van het schilderen, met een nieuw niet aan het impressionisme ontleend gebruik van de middelen, kan hier door zijn ogen te gebruiken een antwoord krijgen. Want hier ziet men dan enige vormproblemen die men moest doorworstelen om die nieuwe grondslag te vinden. En dat het niet zo eenvoudig kan zijn geweest ziet men ook. In deze zaal treft men bijvoorbeeld het schilderij ‘Landschap met vrouw, koe en hond’ aan van Roger de la Fresnaye. Het is wel een dichterlijk schilderij, maar juist die ‘sfeer’ in het schilderij draait het de nek om. Het is een in die tijd niet zeldzaam voorkomende kruising tussen een kubistisch en een impressionistisch gebruik der middelen geworden. Dit ziet men duidelijk als men gaat vergelijken met Léger. De figuren van Léger zijn in de gebruikelijke zin gezien minder verdwenen in het schilderij dan bij de la Fresnaye. Ze werken meer als ontleend aan een zichtbare realiteit. Het geheel van Légers schilderijen echter staat op een veel nieuwere basis. Zijn ruimte is niet aan het impressionisme ontleend, maar ontstaat uit constructieve spanningen. En wat hij aan de zichtbare realiteit heeft ontleend is geen naturalistische achtergebleven rest in het schilderij. Zijn werken zijn objectiverend, in die zin dat de objecten worden losgemaakt van tijdelijke impressionistische betrekkelijkheden. Men zou kunnen zeggen: de la Fresnaye lijkt abstracter, maar Léger is abstracter.

Van Picasso en Braque hangen er doeken en van de eerste ziet men ook nog tekeningen. De schilderijen in deze zaal laten zien hoe groot de inventie van de pioniers der moderne kunst is en hoe groot hun kunstenaarschap. Zij hebben weliswaar de tijd meegehad, waarin iets nieuws nog werkelijk nieuw kon zijn. Niettemin verraden zelfs hun minder gelukte werken een volslagen buitengewone geest. Iets wat men lang niet altijd kan zeggen van hen die hun erfenis aanvaardden.

Trefpunt

 

Georges Rouault;
Christusfiguur

Soutine is indrukwekkend. Men heeft het gevoel dat men zijn schilderijen betrapt in een warrelend en wervelend moment van hun ontstaan. Een expressieve lavastroom die zich kokend over het doek uitstort en waarin een hevige psychische beweging het stroomgebied markeert. Een vergelijking met Rouault is hier interessant.
Waar Soutine zich gevaarlijk laat meesleuren in het tumultueus bewegen van zijn verf, weerstreef Rouault zijn uit even grote diepten opborrelende materie met weerbarstige beheersing. Een mystieke en religieuze zelfbeperking.

Het ligt voor de hand deze tentoonstelling te zien als een trefpunt tussen erflaters en erven. En onder de aanvaarders van de erfenis der pioniers treft men heel wat namen, die vooral de laatste tien jaren in Parijs en buiten Parijs bekend werden en grenzen overschreden. Helaas valt dit treffen hier (zoals elders) uit in het nadeel van de erven, die men aantreft onder de namen Vieyra da Silva, Soulages, Ubac, de Staël, Bissière, Bazaine, Manessier, etc..
Nemen we b.v. Manessier en dan zijn schilderij ‘Nacht’. Vergelijking zoekend met een schilderij van ongeveer dezelfde strekking in het gebruik der middelen komen we bij Miró terecht. Dan zien we hoeveel grootser, eenvoudiger en hoeveel zuiverder Miró’s conceptie is. Manessier’s ‘Nacht’ wordt dan een min of meer romantisch werk, dat eigenkijk met een modern geschilderd ‘nieuw ding’ weinig te maken heeft. Alhoewel het er qua vorm bedrieglijk veel op lijkt.

Toch blijft het een werk van een lang niet onaanzienlijk talent. Dat kan men van Bissière en Bazaine eveneens zeggen. Zij tonen echter onverhuld, zij het waarschijnlijk onbedoeld, het gevaar waarvoor de abstracte en abstraherende schilder zich dient te hoeden. Zij zijn te verliefd op de mooie materie, hetgeen resulteert in een verlies aan beeldend besef en beeldende binding. Toegegeven dat dit een heel bijzondere schoonheid kan zijn.

Vader Cézanne

De staël treft door grote en kleurkrachtige visie en helaas ook door lelijke verfbehandeling, waar sommige plekken in zijn schilderijen dood en dof zijn. Iets waarvan men de noodzaak niet ziet. Dat is jammer. Want men voelt hier een potentie aanwezig, die verdient dat er minder achteloos mee werd omgesprongen. Die potentie leest men echter meer af, dan dat men ze in feite gerealiseerd ziet.
Een gang naar deze tentoonstelling, die tot 10 juni in Den Haag blijft, is voor ieder die van moderne schilderijen houdt, de moeite waard. Want buiten de namen die ik noemde vindt men er nog werk van : Degas, Bazaine, Berthole, Derain, Dufy, Estève, Gromaire, Hartung, Matisse, Modigliani, Villon.

En vergeet dan niet naar Cézannes baadsters te kijken. Want veel van wat men nu ziet was zonder hem niet mogelijk geweest. Was hij niet een van de eersten die van de impressionistische opvatting van de ruimte in het schilderij trachtte af te komen? En die zocht naar een eigen ruimtelijke wetmatigheid binnen het schilderij, zuiver uitgaand van schilderkundige elementen als kleur en vorm?

Het is goed om deze ‘vader van de moderne kunst’ in dit gezelschap aan te treffen. Een gezelschap dat u, als u ertussen vertoefd hebt, niet licht zult kunnen vergeten.

GEORGE LAMPE