Reflex; Impressionisten

Gepubliseerd: 30 September 1961, Reflex, 3de jaargang nr. 15.

George Seurat.
“Een zondagmiddag op
La Grande Jatte”.

Laten we ons iets gaan ‘ver-beelden’. Dat is belangrijk, want zonder ‘ver-beelding’ komen we nergens en is het maken van kunst al even onmogelijk als het begrijpen ervan.

We lopen rond op een tentoonstelling van schilderijen. Het toeval is ons gunstig, want er hangen niet alleen ‘impression-istische’, maar ook ‘cub-istische’ en ‘expression-istische’ werken. Dat gunstige toeval nu (door mij overigens slim bestuurd) levert ons nog een interessante ontmoeting op: met de leek, die bijna nooit (of nooit) tentoonstellingen bezoekt,

zich eigenlijk voor kunst helemaal niet interesseert, maar er toch een menig op na houdt die klinkt als een klok en wat dat betreft geen blad voor de mond neemt. Hij deelt ons ongevraagd mee at hij in de schilderijen ziet: ‘niets’. Daar blijkt uit, dat hij ze in ieder geval anders ziet dan de makers ervan. Hij vindt die schilderijen ‘lelijk’.

We zeggen nu tegen nu tegen hem dat het ons niet interesseert of hij ze mooi of lelijk vindt en nemen ook geen genoegen met zijn simpele verklaring dat hij er ‘niets’ in ziet. Hij ziet wel degelijk iets, het bevalt hem alleen niet. We vragen hem nog eens erg goed te kijken en dan te beschrijven wat hij waarneemt. Let op. Dit wordt interessant.

Want het blijkt dat die leek heel veel ziet als hij zich er een beetje voor inspant. En dat wat hij ziet exact door hem beschreven wordt. Het gaat pas mis als hij gaat moraliseren in de trant van: dat is gek, dat kan toch niet, dat is niks enz. .

Al pratend met hem zijn wij aangeland bij een extreem impressionistisch schilderij, laten we zeggen een landschap. Ik zeg extreem impressionistisch omdat het geen voorbeeld is van Hollands ‘Haagse school’-impressionisme. Nee, het is Frans impressionisme. Hoor maar wat hij er van zegt en dat is dat hij ‘alleen maar vlekken’ziet. Als je dichtbij staat zie je alleen vlekken, kleurtoetsen, verf. Maar, zegt hij erbij, als je op een afstand gaat staan, dan lijkt het veel op een landschap, ja dan is het een landschap, alhoewel het een beetje ruig en ruw is geschilderd en geklodderd.

Net televisie

Het is duidelijk dat hij zich een beetje verwonderd en tot zijn verrassing bemerkt dat hij er toch meer in ziet dan hij dacht. Het feit dat een verzameling kleurvlekken en punten een landschap kunnen oproepen, is ook fantastisch. Fantastisch, ja, ook al is uw televisiebeeld au fond ook uit lijnen of punten samengesteld. Maar dit is voor het eerst dat hij de zaak zo ervaart, gedwongen om te beschrijven wat hij ziet, dus goed te kijken.

En dit simpele goede kijken heeft hem onthuld, dat een verzameling vlekken iets van ‘ver-beelden’ ‘uitbeeldt’. Maar er knaagt een twijfel aan hem. Waarom dit landschap nu niet precies (u weet wel, ‘handgeschilderde fotografie’) en netjes nagemaakt? Waarom niet?

Omdat de schilder kennelijk iets anders op het oog had. Hij wilde niet het landschap precies en met knaagdierengeduld namaken alsof het een kijkkastje ment papier-maché-figuren betrof.

Hij wilde niet een optelsom maken van wat er allemaal in het landschap stond. Hij wilde  het levendige van het landschap ‘uit-beelden’, de beweging, de adem ervan: de vormen die door de wind aangeraakt worden, het wisselende licht. En dat is nu eenmaal niet te doen door een boom te behandelen als een ding met een voor eeuwig vaststaande versteende vorm.

Toen de impressionisten met dit soort dingen aankwamen, verwekten ze een ware opstand. Want officieel erkende kunst betekende zich bezighouden met ‘het Hogere’. En dat ‘Hogere” werd gesymboliseerd door glad en kil geschilderde juffrouwen dia uit een panopticum ontsnapt leken; juffrouwen die half bloot, gehuld in onnatuurlijk stijve draperieën het moeilijke en nobele verbeeldden, iets wat men in het dagelijks leven niet tegenkwam en zeker niet op straat, in bad, of gewoon in het landschap.

De impressionisten bliezen de stofnesten uit elkaar. Zij lieten een frisse wind waaien. Ze hervonden de kleur, de beweging en de emotie voor het schilderij. Zij hadden wel voorgangers gehad, maar in de beweging van het impressionisme traden ze opeens met een nieuw wereldbeeld op, dat alle kunstenaars dreigde mee te sleuren. Het publiek was razend. En het publiek van nu is aan veel gewend. Het heeft Appel op de T.V. gezien En het kan zich nauwelijks voorstellen waarom men zich toen zo opwond. Er zijn nu wel andere dingen om zich over op te winden. Die ‘gooiers en smijters’ , die ‘verfbarbaren’. Nu vindt dat publiek zo’n impressionistisch schilderij misschien niet mooi, maar om over verfsmijters te spreken, dat is overdreven na Appel c.s. .Men ziet zelfs ‘bijna’ een gewoon landschap.

Maar in de tijd van de impressionisten waren er genoeg mensen die dat landschap niet herkenden en met evenveel woede over ‘klodderaars en smijter’ spraken. Het lijdt geen twijfel dat de impressionisten en allen die na hen kwamen de manier van kijken grondig hebben gewijzigd.

Maar laten we eens verder gaan in gezelschap van onze leek, die de verpersoonlijking is van een groep die zich om de donder niet bij de neus laat nemen.

We komen nu bij een ‘extreem’ expressionistisch schilderij. Ik zeg expres ‘extreem’. Anders zouden wij bijvoorbeeld bij een Van Gogh terecht kunnen komen En die is nu toch wel geaccepteerd.

Misschien heeft zelfs de warse leek die ons zo boeiend rondleidt wel een reproductie van Vincent aan de muur. Maar bij Van Gogh is alles aanwezig wat in het echte expressionisme te vinden is. Het schilderij is heftig bewogen, de kleuren hebben weinig te maken met die van techni-color. Ze zijn expres absoluut en bewust anders dan in de zichtbare werkelijkheid. Een landschap is een en al beweging en emotie.

Maar wat zegt nu onze leek van het extreem-expressionistische schilderij? Hij geeft een treffende schets van een ruw en heftig gekleurde toestand. Er zijn ook iets als mensen in te zien. Maar het is of alles vertrokken en verwrongen is. Alsof de schilder dronken was, of gek of bezeten. Hij besluit met te zeggen, dat het een wilde indruk maakt en dat hij het lelijk vindt.

Vervoering

Hij heeft ons veel meer gezegd dan hij dacht. Want hij heeft zonder de zaak waarover het gaat te waarderen, een heleboel dingen te berde gebracht die iets met impressionisme van doen hebben. Hij heeft de nadruk gelegd op de hevigheid en op (door te spreken over ‘gek’ en ‘dronken’ de vervoering, de bezetenheid. Het is duidelijk, dat bij expressionisme de imitatieve factor in de steek is gelaten ten gunste van de uitdrukking (en liefst zo direct mogelijk) van het gevoel. Het ervaart de wereld hevig, heftig, intens en brengt dat als zodanig tot uitdrukking.

Een landschap van Van Gogh staat niet stil. Alles beweegt en is geritmeerd; de bomen vlammen en wringen zich de turbulente hemel tegemoet. En dat is een heel ander ‘niet-stilstaan’ dan we in het impressionistisch landschap zagen. Het is niet de ‘impressie’ van een bewegen door de wind, het is de ‘expressie’ van een bewegen in het gemoed., de ziel, de emoties of hoe men dat wil noemen.

Het expressionistisch schilderij is niet alleen wat de kleur betreft symbolisch voor de gevoelstoestand, maar is ook het directe neerschrift van de gemoedsbeweging. Vindt u het vreemd? Denk dan aan de handschriftkunde. Ons handschrift wordt geacht onze gemoedstoestand direct te weerspiegelen, met seismografische gevoeligheid.

Het expressionisme is een handschrift van de heftige gemoedsgesteldheid. In de brieven aan zijn broer Theo kan men lezen hoe de kleur in zijn schilderij van een café een symbolische onnaturalistische betekenis had. Hij trachtte er de roes, het hartstochtelijk en de ellende, het nachtelijke mee uit te drukken.

Lijkt nergens op

We gaan weer verder en komen nu bij een kubistisch schilderij. Ook weer niet ‘zo maar een beetje kubistisch’, maar één dat er niet om liegt. Wat zegt onze rondleider over het uiterlijk van dat schilderij? Dat het nergens op lijkt; ja toch wel; het lijkt wel iets op een stilleven. Maar dan wel heel vreemd gedaan. Alles ziet er zo plat uit en zo stijfjes. Een beetje ‘recht-toe, recht-an’. En dan lijkt het ook wel weer dat alsof alles gezien is in een spiegel die in stukken is gevallen. En de kleur heeft nog minder dan bij de expressionisten te maken met de werkelijkheid. En ja, hij ziet nog meer. De perspectief van de tafel is verkeerd. Ten eerste staat het blad rechtop, maar is buitendien van boven breder dan van onderen. En als ‘van boven’ eigenlijk ‘van achteren’ betekent, dan weet toch iedereen dast ‘van achteren’ perspectivisch kleiner moet zijn. En dan die vaas, die staat gewoon rechtop en dat kan niet op een tafelblad dat naar boven is geklapt. Het is zo net of die vaas er tegen aangeplakt is. En wat nog erger is: terwijl ik recht tegen de vaas aankijk , kijk ik tegelijkertijd in de opening ervan.

Op dit moment fronst de leek zijn wenkbrauwen en kijkt ons vragend aan. Want nauwkeurig een impressionistisch en een expressionistisch schilderij beschrijvend begon hem iets te dagen omtrent de betekenis ervan. Maar hier laat alles hem in de steek. Hoe komt dat?

Het impressionistisch en een expressionistisch schilderij kon hij min of meer gevoelsmatig benaderen en dat zegt toch iets. Maar zo’n kubistisch biedt daar minder gelegenheid toe. Het is veel meer schilderkunst voor schilders, zoals er muziek voor musici bestaat. Het is ook een veel intellectuelere vorm van schilderen dan het im- en expressionisme. Het is een weloverwogen componeren, bijna een redeneren en zeker geen uitstorting van gevoel.

Dat ligt aan de geschiedenis van het kubisme, dat men moet zien als een reactie op het dreigend vormverlies in het impressionisme en expressionisme. Er zijn altijd lieden die zich plotseling bewust worden van het gevaar dat uitsluitend drijven op gevoel met zich meebrengt.

Als een raampje

Het is er een niet geheel onredelijke angst voor en afkeer van ‘vormeloze chaos’. Het is een strekken van de rug, een stram maken van skelet en spieren. Het is voelen dat er nog een hardere kern bestaat,  een skelet om op te steunen, in plaats van de altijd weer wegstromende ongrijpbaarheid van het gevoel. Het is zoeken naar ordening en vastheid. Dat geeft kubistische schilderijen hun koel en overwogen uiterlijk.

Dat wil niet zeggen, dat er geen ‘gevoeligheid’ in verwerkt is. Want om de elementen in een schilderij zuiver af te stemmen, juist als men zich niet laat drijven op gevoelsuitbarstingen, vereist een grote mate van ‘zuivere gevoeligheid’, ongeveer zoals bij ‘redelijkheid’ het geval is. Hoe is hier nu dat experimenteren met de perspectief mee te rijmen?

De kubisten zochten – de ordening, nietwaar? – naar de ‘wetten’ van het schilderij, de compositie. Die hadden niets te maken met conventionele opvattingen daaromtrent. Ze wilden het schilderij uitsluitend volgens zijn eigen ‘wetten’ laten spreken en niet volgens de precieze voorstelling. Ze gingen er van uit dat het schilderij 2-dimensionaal is en niet met gezichtsbedrog moet werken. De ruimte in het schilderij, dat als een raampje uitzicht biedt in een landschap of op een tafel is nep.

We zullen laten zien dat we ons daarvan bewust zijn, dachten de kubisten en ze maakten anti naturalistische dingen, ze wilden ook niet afhankelijk zijn van de wisselingen van het licht en ‘componeerden’ een nieuwe kleur-ruimte. Ze waren zich bewust dat ruimte niet behoeft te ontstaan door het imiteren van schaduwen, maar dat het ook kan ontstaan, omdat een rood, geschilderd in een zwart, een enorm ruimtelijke afstand schept. Ze probeerden dus ruimte met zuiver schilderkunstige middelen uit te beelden en wierpen de imitatieve met bittere hoon overboord.

En die vaas waar je tegenaan en bovenop kijkt? Een vaas is niet een ding waar je alleen maar tegenaan kijkt. Je kan er ook inkijken. Ze probeerden een zo volledig mogelijk beeld en niet slechts één aspect van een stilleven te geven. En daarmee raken we aan een van de belangrijkste dingen in de moderne kunst: de beweging.

Daarover een volgende keer.

 George Lampe