Verscherpte maatstaven nodig voor abstracte kunst

Subtitel: Amerikaanse schilders in Amsterdam
Gepubliceerd: 8 november 1958

 

Tekening van Jackson PollockNaar aanleiding van de Amerikaanse tentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam wil ik nog eens terugkomen op wat wij met een niet al te gelukkige aanduiding samenvatten als “abstracte kunst”. Een aanduiding waarin we niet veel meer moeten zien dan naamgeving aan een gebied dat een buitengewoon groot aantal mogelijkheden van totaal verschillend karakter omvat. De meeste “abstracte” schilders zijn zich van de gebrekkigheid van het begrip “abstracte” kunst terdege bewust. Niet tegen leken sprekend maar tegen insiders kan men hen dikwijls horen beweren dat hun werk ‘eigenlijk niet abstract is’. Zo spreekt men o.a. over non-figuratieve kunst, concrete kunst, voorstellingsloze kunst en over (misschien de essentie het dichtst benaderend) abstract expressionisme en absolute kunst.

Een ander feit is echter dat er zoveel verschillende geaardheden en stromingen binnen de abstracte kunst optreden, dat men ze eigenlijk maar zeer in ’t algemeen, dus in het onbepaalde onder één noemer kan vangen. Het gaat dus om een term die evenals vele andere in het dagelijks gebruik ondanks gebrekkigheid net voldoet. Wat ik nu ga zeggen komt voort uit mijn eigen activiteit in ditzelfde moeilijk omschrijfbare gebied.

Het wel en wee van de abstracte kunst ligt mij dus vanzelfsprekend na aan het hart. Zodoende voel ik mij gerechtigd op verscherpte criteria aan te dringen. We leven nu eenmaal niet meer in de begintijd van de abstracte ontwikkeling. Een schilderij kan niet meer om het blote feit dat het abstract is (indertijd nieuw) de moeite waard zijn en belangrijk worden gevonden.

Na 50 jaar abstract schilderen is er vergelijkingsmateriaal, kwaliteiten zijn herkenbaar geworden. De pionierstijd, waarin iedere daad om het simpele feit dat hij revolutionair was interessant en noodzakelijk werd gevonden, is voorbij. Ten slotte overweegt ook voor de nieuwe kunst het enige criterium dat op de beeldende kunst van toepassing is: de kwaliteit van het werk, de zeggingskracht en de relatie tussen vorm en inhoud. Voor alle kunst is het een levensnoodzaak, aan scherp gestelde criteria te kunnen beantwoorden. Een slecht non-figuratief schilderij is even nietszeggend en ernaast als een slecht figuratief idem. De abstracte kunst kan alleen voor vervlakking behoed worden door kritiek, vooral zelfkritiek. Men bewijst haar allerminst een dienst door uit angst haar te schaden met fluwelen handschoenen te werk te gaan. Daar is de strijd om de echtheid en de waarheid van de vorm en (noodzakelijk) te genadeloos voor.

De gemakkelijke en lege routine die bij andere kunstvormen tot het schilderen van kitscherige plaatjes leidt, voert hier tot gemakzuchtige decoratie of tot een nog lager maar eveneens nietszeggend niveau.

 

Met onweerstaanbare kracht drongen deze overwegingen zich aan mij op toen ik de Amerikaanse tentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam zag. Want wie met zijn hart en zijn levensgevoel bij de abstracte kunst is, zoekt naar karakter en persoonlijkheid, naar essentiële dingen. Men zoekt naar verdieping van het materiaal doordat erop is gewerkt, totdat het iets anders werd: een materie waaruit iets is gaan spreken, die middel en voertuig is geworden. Het instrument waaruit de klank opstijgt. Men stelt zich bij een dergelijke instelling niet tevreden met een toevallige vlek noch met de grillige toevalligheid waarmee verf langs een doek druipt.

Men begrijpe mij goed. Ik beweer niet dat men van toevalligheden, van het druipen en het eigen spel van het materiaal geen gebruik mag maken. Het gaat er in tegendeel om dat men er juist in de werkelijke zin ‘gebruik ’van maakt, dat men er iets mee doet. Het principe is niet dat de verf iets doet, aar dat met de verf iets gedaan wordt, dat er vorm aan wordt gegeven.

Zelfs als het gaat om automatisch schrift is het nog te doen om de uitdrukking van persoonlijkheid. De verf noch het toeval bezit echter op zichzelf persoonlijkheid en karakter. Helaas ziet men op deze tentoonstelling te veel toeval waarmee te weinig is gedaan. Een kunstwerk wordt pas iets als men er intensief op heeft gezwoegd. Er is een mogelijkheid, waarbij men een enkele simpele beweging zonder meer laat staan. In het algemeen echter geldt dat het schilderij naar de maker moet toegroeien vanuit de langzaam een gezicht krijgende materie. Het moet die merkwaardige psychische kwaliteit ontwikkelen, die uitsluitend ontstaat wanneer een vlek betekenis krijgt, boven zichzelf uitgaat. Ten slotte moet het schilderij als een organisme aandoen. Men moet het gevoel hebben dat er iets in beleefd is. Men moet ervan overtuigd raken dat de dingen zo zijn omdat ze niet anders kunnen zijn.

De tentoonstelling geeft een aantal voorbeelden van wat men abstract expressionisme en in sommige gevallen terecht ‘action painting’ zou kunnen noemen. De kwaliteit ligt bijzonder ongelijk. De schilderijen van Guston bij voorbeeld zijn niet veel meer dan tot de uiterste grens verzwakte en vervaagde impressionistische gevoeligheden. Een zwak en expressieloos gewriemel van verftoetsjes, dat op zijn best een in onze tijd helemaal niet aan de orde zijnde sfeerschildering geeft. De verf ziet er wel een beetje wild en bewogen uit, maar komt toch niet verder dan zachtaardige en slappe dampigheid. Men komt er in de abstracte kunst niet met een beetje sfeer scheppen. Men vraagt om een vorm, om beeldend vermogen. En niet om de druiperige toevalligheden waarmee Francis zijn stofpatronen boven hun esthetisch gespeel poogt uit te tillen.

Een aanzienlijk interessanter figuur is Stamos. Hoewel zijn schilderijen uiterst simpel van opbouw zijn, zegt hij met veel minder beduidend meer. Vooral zijn ‘hoge sneeuw, lage zon’ bezit een verfijnde kracht, een rijpheid van de materie waarin men kan geloven. Zijn werk bezit een eenvoudige poëzie. Men ziet eraan dat kracht niet resulteert uit sterke effecten op zich zelf, maar uit de intensiteit waarmee de elementen die een belevenis weergeven op elkaar zijn afgestemd.

De werken van Gorky zijn ondenkbaar zonder Miró. Net iets te veel ondenkbaar. Zijn speelsheid van vormen is iets te veel bedacht, zijn expressiviteit iets te gering. Zijn werk valt te kenschetsen met: net iets te veel, net iets te weinig. Toch behoren zijn schilderijen tot de beste inzendingen. Men gelooft aan zijn onrust en in zijn gedeeltelijk ontleende wereld ziet men kiemen van een totaal eigen organisme opkomen. Hij is beslist geen schilder die zich zonder zelfkritiek uit.

De werken van De Kooning suggereren een wilde expressiviteit in de wijze van verfopbrengen en de heftigheid van lijn. De aldus aangeduide diepe emoties worden echter niet ondersteund door het karakter van de kleur. Een enkele (slecht) gedeformeerde kop met te grote nadrukkelijkheid en plaatjesachtigheid uit het doek opdoemend doet aan als een onbegrepen stuk in het schilderij. Ik herhaal nog eens met klem tegen de lieden die beweren dat abstract schilderen makkelijk is, wat ik geruime tijd geleden in dit blad poneerde: abstract schilderen is moeilijk. Een tentoonstelling als de onderhavige is er het beste bewijs van.

Pollock doet in sommige zijner werken aan als een krachtige en eigen figuur. Zijn felle bewogenheid is in zijn beste werken samengesmolten tot een sterk wervelende doordringing van de ruimte, tot een eenheid van vorm en inhoud. Anderzijds ontkomt hij hier en daar al evenmin aan het gezellig decoreren in druppel en spettertechniek. Hierin is hij wel verzonkener dan gemakkelijke navolgers. Hij heeft er meer op gewerkt. Echter lang niet altijd met als resultaat verhogende expressiviteit.

Grace Hartigan behoort zeker niet tot de minsten. Ze schildert met een natuurlijk elan en met een onkokette expressiviteit. Ze bevalt me heel goed en slaat één van de meest persoonlijke toetsen aan op de tentoonstelling. Ze werkt minder mooi en minder speelziek dan een aantal anderen.

Het grote zwart-wit schilderij van Motherwell is een geraffineerd voorbeeld van een moderne, een beetje lelijk en slordig gehouden esthetiek. Gevoel voor vorm kan men hem niet ontzeggen. Toch is het meer een gevoel voor wat de vorm naar buiten doet dan naar binnen is. Het is een vorm die zich te veel afficheert en een sterk decoratief effect geeft in plaats van een inhoud.

Er is nog een aantal schilderijen van Rothko, Still, Newman, Tomlin, Tworkow, Brooks, Kline, Baziotes en Gottlieb die men alle, vanuit mijn voorafgaande beschouwing bekeken, aan ongeveer dezelfde euvels en hun varianten ziet lijden. Nu eens is het gebaar al te gemakkelijk gemaakt, dan weer is de expressiviteit van de vorm te veel voorstelling van iets wat er niet is. Men krijgt de indruk dat er met een groot gebrek aan zelfkritiek is gewerkt. Men is al tevreden als men een spoor van een emotie heeft nagelaten. In wezen moet het schilderen dan pas beginnen. Inderdaad, verder werkend is het moeilijk de emotie te bewaren. Maar daarvoor is men kunstenaar.

Zoals alle kunst dient de abstracte richting zich te vernieuwen: niet in de breedte, maar in de diepte. Het enige middel daartoe is hard en scherp tegen zichzelf te zijn. En de zalige theorieën over boord te gooien. Op het schilderen komt het aan. Het zich verdiepen in de materie die men iets moet geven. Op die manier kan de abstracte kunst met nieuwe menselijke elementen verrijkt één van de verbeeldingen worden van de nieuwe realiteit van onze hedendaagse wereld. Dit is echter uitsluitend mogelijk als men zich realiseert dat iedere schilderwijze slechts middel is en de kunst belangrijker is dan figuratief of non-figuratief.

GEORGE LAMPE