De criticus

Gepubliseerd: 12 Maart 1964 in Vrij Nederland.

Enige tijd geleden schreef ik in dit blad over kunstkritiek. Nauwkeuriger: van kunstenaars over de verwijten aan het adres van hun critici. Ik ben toen overduidelijk aan de kant van mijn collega’s (schilders) gaan staan en meen te hebben aangetoond dat die verwijten niet ongegrond waren. Als ik nu de zaak van een andere kant benader, betekent het niet dat ik van plan ben ook maar iets terug te nemen van wat ik toen schreef. Mijn artikel was er op gericht (o.a.) het publiek in de huid te laten kruipen van de kunstenaar die in het openbaar wordt gekritiseerd. Duidelijk te maken wat er in hem omgaat als dit gebeurt op onverantwoordelijke, ondeskundige, oppervlakkige of niet ter zake doende wijze. Het was ook een wenk aan de critici, dat het verantwoordelijkheidsbesef nooit te sterk ontwikkeld kan zijn, hun geweten nooit te nauw, omdat ze in staat zijn gesteld iets waar een ander een heel leven in stopt, met een paar woorden af te lellen. Bovendien is de sociale positie van de kunstenaar in het geding; hij kan (betrekkelijk) in gevaar worden gebracht door wat er geschreven wordt, terwijl de criticus veilig zit. Dit alles neemt niet weg dat ik ter wille van de sportiviteit, de objectiviteit, de democratie etc. wil voorstellen ons eens te verplaatsen in de rol van de criticus. Als hij er zich van bewust is – wat m.i. te weinig voorkomt – voelt hij hoe delicaat zijn positie is. Maar heel vaak, vooral in de dagbladen, vat hij zijn taak te gemakkelijk op. Dat is een situatie die o.a. voortvloeit uit het feit dat het aantal tentoonstellingen dat wordt aangeboden en de kwaliteit ervan van dien aard is, dat men er zich, tenzij het gaat om uitzonderlijke gevallen, nauwelijks anders uit weet te redden dan door Kunstkritiek te vervangen door Kunstverslaggeverij. Een stap in de richting van oppervlakkigheid dus, die, als het daarbij blijft, geen hond kwaad doet en misschien zelfs de handigste oplossing is; maar zeker niet de overtuigendste. Men berust dan bij een soort korte beschrijving van het werk en als de recensent van goeden wille is, kan dat zelfs als gratis vorm van publiciteit werken. Gezien de behoefte van kunstenaars dat publiek naar hun tentoonstelling toe wordt geschreven, is het begrijpelijk dat een aantal van hen dit de enige acceptabele vorm van kritiek vindt. Maar daar blijft het meestal niet bij.

Want om een of andere duistere reden wordt de criticus of recensent die de zaken op deze wijze opknapt, toch nog gekweld door het gevoel dat hij iets te zeggen heeft en dat zulks moet blijken. Daar begint natuurlijk de ellende, want zo iets is in wezen onverenigbaar met de ‘Franse slag’. Wie de zaken afdoet met beschrijving – dikwijls onvolledig, onbevredigend – en opsomming, dient af te zien van de hoogmoedige wellust er schijnbaar een gefundeerde mening op na te houden. Nu is dit gemakkelijker gezegd dan gedaan. Want de criticus heeft met een publiek te maken dat serieus genomen wil worden en buitendien wordt hij scherp in het oog gehouden door de kunstenaars, die op dit stuk waarschijnlijk en terecht veel feller aftasten in welke mate de man die hen bejubelt of stenigt hen ernstig neemt.

CREATIEVE KRITIEK

De recensent zit, als hij zich de zaken werkelijk aantrekt, niet zo makkelijk en dat verdient hij, zoals hij behoort in te zien. En vooral de kunstenaars die zich niet met zouteloze descriptie tevreden stellen, maken het hem moeilijk. Zij verlangen persoonlijkheid, inzicht, redelijkheid, maar ook slagvaardigheid, kritisch vermogen, bereidheid voor iets te knokken van hem; nogal veel dus, dat extra gecompliceerd wordt, omdat er dikwijls nog een heimelijke wens meespeelt naar volledig identieke opvattingen van kunstenaar en criticus. Wat kijk op het werk betreft zouden ze, in het kader van dit soort wensdromen, eeneiige tweelingen moeten zijn. Ik heb al gezegd dat de meeste critici aanzienlijk minder deskundig zijn dan hun slachtoffers. Dat voelen ze wel: de man die het gemaakt heeft, is de eerste en de laatste deskundige. Dat maakt het recensentenwerk moeilijk. Want hij, de criticus, weet dat hij tegenover zich een onbarmhartige, ontevreden deskundige vindt, die zonder pardon aan iedereen zal rondbazuinen hoe stom en ondeskundig de recensie van mijnheer X deze keer weer was. Het erge voor de criticus is natuurlijk dat hij soms inderdaad tekortkomingen aanwijst, iets wat hem in de regel kwalijk wordt genomen door het object van zijn ontleedkunst. Zijn enige troost is dikwijls dat kunstenaars in hun kritiek op anderen onbarmhartiger en minder mild zijn dan de meest terecht of ten onrechte, gevreesde criticus; in ieder geval zijn ze meestal een stuk minder objectief. Nu mogen ze dat ook , omdat het hun taak niet is kritieken maar kunstwerken te creëren. Bij dat creëren wil ik wel even stilstaan. Een kritiek die de moeite van het lezen waard is, behoort iets van creatie in zich te dragen, niet slechts wat de literaire vorm betreft, maar ook wat betreft het erin geconcipieerde gedachteleven.

Misschien wordt de afstand tussen kunstenaar en criticus wel groter naarmate de eerste in het werk van de laatste meer gebrek aan creativiteit en oorspronkelijkheid, gebrek aan een, met de ontwikkeling van de kunst vergelijkbare ontwikkeling van het zien vaststelt. Dergelijke gebreken wekken weinig vertrouwen, maar wel de indruk dat de ongelijksoortigheid van criticus en kunstenaar zo groot is, dat er nauwelijks een redelijke basis voor begrip te verwachten valt.

MOEILIJKE OMGANG

Men ziet: de criticus heeft het moeilijk, als hij tenminste zijn werk net zo ernstig en zwaar neemt als de kunstenaar, en dat is zijn plicht. Buitendien is de omgang met de ontplofbare, brandgevaarlijke materie, met kunstenaars, voor hem niet gemakkelijk. Schrijft hij te welwillend, dan is hij ‘een zak’. Schrijft hij ‘rot’, dan is hij ook ‘een zak’, hoewel er altijd wel een paar te vinden zijn die vinden ‘dat ie nou eindelijk eens de waarheid heeft gezegd’. Critici, die met de nek zijn aangekeken, blijken na een ‘goede’ recentie plotseling ‘lang niet zo gek te zijn’, terwijl tamelijk gewaardeerde critici, na schuchtere pogingen tot een eigen mening, misprijzend worden bekeken: ‘ik begrijp niet wat die vent tegenwoordig mankeert’.

In mijn vorige artikel heb ik al gezegd dat de oplossing niet te vinden is in vervanging van ondeskundige critici door deskundige schilders. Er is misschien geen andere oplossing dan een beter en ander contact tussen critici en kunstenaars, waarbij naar mijn smaak de grootste stap gedaan moet worden door de critici, omdat ze min of meer teren op de kost die hun door kunstenaars wordt verstrekt.

Het is nu eenmaal niet zo dat de kunst ‘nergens’ zou zijn zonder critici, terwijl omgekeerd de critici zonder kunst zwaar de mist in zouden gaan. Een verdere moeilijkheid voor critici ligt in het wankel begrip van kunstenaars aangaande persvrijheid. Wie – ondanks zijn sceptische houding – met ongeduld naar zijn recensies uitkijkt, moet de recensent gunnen dat hij schrijft wat hij wil. Er ontstaat soms onder kunstenaars een stormpje: we moeten naar de hoofdredactie schrijven, die vent moet weg, etc..

Soms berust zo iets alleen maar op ‘een slechte recensie’, meestal op iets dat m.i. best in de krant gemist kan worden, maar in dergelijke reacties zit ook iets scheef. Het staat in onze maatschappij tot nu toe altijd nog vrij op zinvolle wijze te protesteren; op zinloze wijze kan men het beter laten. Verbodsbepalingen rieken echter naar iets anders, daar moeten wij ons niet mee inlaten, zelfs als we weten, of juist omdat we weten, hoezeer de reacties van kunstenaars worden bepaald door hun meer dan vreemde, eigenlijk machteloze positie in de maatschappij. Ze moeten oppassen zich niet belachelijk te maken t.o.v. der critici, die eigenlijk zoveel beter zitten, alhoewel hun ‘status’ gebouwd is op de aanwezigheid van kunstenaars. Kunstenaars en critici zouden op zinvolle wijze met elkaar leren omgaan. Maar of het erin zit, is de vraag.

KRAKEN OF JUBELEN

Mijn eerste artikel over kunstkritiek was helemaal uit de schildershoek geschreven; mijn natuurlijke voorkeur. Het had bij schilders nogal succes, omdat ieder het op zichzelf betrok. Het was een fijne kapstok voor bepaalde – ook mijn eigen – rancunes.

Maar het volgende komt mij ter ore: Een schilder vindt het oorspronkelijk een fijn stuk. Maar later ‘gaat hij toch aan het twijfelen’. Waarom? Hij heeft een stuk van mij gelezen over een andere schilder die hij ‘slecht’ vindt. Mij bekruipt het naargeestige gevoel dat hij, ondanks zijn sympathie voor mijn in het eerste artikel over kunstkritiek geformuleerde opvattingen, liever had gezien dat ik deze collega had ‘gekraakt’. Nu is dat mijn werk niet. Dat laat ik over aan recensenten die hun taak anders opvatten. Ik schrijf niet over kunst om tienen en zessen, onvoldoendes of leien met griffels uit te delen. Ik zal wel mijn fouten maken en soms m’n principes vergeten. Als ik enigszins kan echter, schrijf ik om ‘de mensen’ duidelijk te maken waarmee we bezig zijn, hoe we bezig zijn. Duidelijk te maken wat er in kunstenaars omgaat, hoe en waardoor hun ontwikkeling verloopt of op gang komt. Van die schilder, die eigenlijk van mij verlangde dat ik me zou gedragen in flagrante tegenspraak met de door mij in het aanvankelijk door hem geloofde artikel omschreven opvattingen, viel me dat tegen. Te meer daar ik de indruk kreeg dat hij de tentoonstelling waarom het ging, niet gezien had. Te meer daar de door hem gewraakte recensie in overeenstemming was met de door mij ontwikkelde opvattingen, dus geen elementen van ‘kraken’ of ‘jubelen’ bevatte. Ik heb daarin een beeld trachten te schetsen van een schilder. Met tekortkomingen in het werk en misschien in zijn persoon. Maar ook met overwinningen, zelfoverwinningen, en tenslotte met een op zijn leeftijd weinig voorkomende stijgende ontwikkeling. Het ging niet om milde kritiek. Maar om iets te laten zien omtrent iemand die werkt.

Ik herinner me dat ik destijds in die zin ook over die weinig milde collega heb geschreven. Ik stel dit maar als voorbeeld.

Men ziet: het is moeilijk.

GEORGE LAMPE