Het interessant werk van Hegedusic in Haags Gemeentemuseum

MOEILIJK AAN ELKAAR TE LIJMEN GESPLETENHEID

Vrij Nederland van 30 juli 1960

 Het werk van Krsto Hegedusiczag ik voor het eerst op de tentoonstelling van moderne kunst, die op zich zelf een bezoek aan de Expo tot een dringende eis maakte. Het boeide mij genoeg om met wakkere interesse naar het Haags Gemeentemuseum te stappen, om de kennismaking te vernieuwen. Krsto Hegedusic is in de Zuidslavische schilderkunst –  zoals mij uit talloze opmerkingen van hen die het kunnen weten bleek – ‘de’ grote man. Hij heeft een harde Balkanschool in het verdragen van wreedheid, vernedering, ellende, honger en verbittering doorlopen. Toen ik met hem sprak bleek mij dat hij weinig op de foto uit de catalogus lijkt. Hij is somberder, forser en markanter dan zijn konterfeitsel ons tracht wijs te maken en daardoor gemakkelijker in relatie te brengen tot zijn meest beklemmende werken. Dit zijn overigens schilderijen die een moeilijk aan elkaar te lijmen gespletenheid verraden. Ze zijn daardoor intrigerend, alhoewel niet zonder meer overtuigend: werk van een uitzonderlijk man en schilder. De vorm dekt de inhoud niet volslagen. De esthetische en fijnzinnige ‘peinture’ is soms nauwelijks of helemaal niet aanvaardbaar in verband met de beoogde wreedheid en tragiek van het onderwerp. Hierdoor worden sommige werken ‘twee schilderijen van uiterst verschillende geaardheid binnen één vlak’. Enerzijds mooi (bijzonder mooi) geschilderd, met een esthetische bekoring die allerminst oppervlakkig is, anderzijds – partieel – wreed, onthullend, dramatisch meedogend en meedogenloos tegelijkertijd.

‘finale 1945″ tempera en olie op doek 1957

Zoiets veroorzaakt in het schilderij een ongelukkige complicatie. Er is sprake van een teveel: misschien het gevolg van blijven kleven aan ontwikkelingsrudimenten. Op die manier kan een van gedachte (en gedeeltelijk van uitvoering) indrukwekkend werk ten naaste bij bedorven worden door de onnoodzakelijke toevoegingen, die – alhoewel bedoeld ter verhoging van de dramatische spanning – in het schilderij alleen maar sierend of vertellend werken.

Een voorbeeld daarvan is te vinden in ‘Finale 1945’. Een schilderij waarin de ongenaakbare morbiditeit van het hoofdmotief aanzienlijk wordt geschaad door details van de achtergrond zoals: huizen, kale muren, een symbolisch verlaten karretje, een te sierlijk afgeknapte hoogspanningsdraad en last but not least de hardblauwe vlek van een zinloos geworden lucifersdoosje. Het laatste ligt voor de in de stomheid van de dood enorme – het schilderij op de voorgrond beheersende – voeten van twee door een deken geheimzinnig aan het oog onttrokken lijken.

Van al bovengenoemde details zal de schilder hebben verwacht dat ze de uitgestorvenheid en de zinloosheid van de gebeurtenissen zouden onderstrepen, in hoge mate via absurditeit van dat vrolijk-blauwe lucifersdoosje. Het tegendeel is waar. Als men ze wegdenkt uit het schilderij door ze met de handen even onzichtbaar te maken, blijft een detail over met opvallend grotere zeggingskracht. Alleen al het afdekken van het lucifersdoosje geeft de voorgrond meer dramatische spanning.

Het zit eigenlijk in de schilderkunstige behandeling van deze in wezen vertellende details: ze zijn met een esthetische verfijning en dichterlijke zorgzaamheid geschilderd, die met het onderwerp niets te maken hebben. Ze accentueren allerminst een gruwelijke leegheid, ze vullen eerder gezellig op. In plaats van organisch onderdeel van de totale uitdrukking zijn ze decor geworden. Een goed en beklemmend schilderij zweeft daardoor doorlopend en waarneembaar in gevaar ten offer te vallen aan het theater.

Ik hoop dat duidelijk is dat mijn waardering niet gering is en wat ik heb gezegd wil een betuigenis zijn van spijt om een gemiste kans. Men dient wat men heeft aan te merken echter voldoende te motiveren als kritiek op de wijze waarop van beeldende middelen is gebruik gemaakt. Hoe storende verschijnselen tot stand komen is moeilijk te zeggen. Ze komen vooral het meest in het oog springend naar voren bij schilders die ‘iets te zeggen hebben’ en die dat ook per se nastreven.

De eigen geaardheid bekommert zich echter weinig om wat men zich voorneemt te doen. Vooral niet bij gespleten naturen als Hegedusic.

Enerzijds zijn er tederheid (teerheid zelfs en een neiging tot verfijnd poëtisch genot aan kleur en verfbehandeling, anderzijds verbittering, haat, meesleurende bewogenheid en de neiging om fel aan te klagen. De schilderijen bekijkend, kan men zien hoe ongewoon mooi (zonder vervelend te zijn, deze man kan soms schilderen: met een merkwaardig gebruik van experimentele technieken geënt op een aan het realisme verwante vormgeving.

Naturen zoals hij (dat maakt hen alleen maar interessanter) kunnen de plank behoorlijk misslaan, zonder het gevoel op te wekken dit uit stupiditeit te doen.

Het hoort bij hun van bizarre levendigheid getuigende ontwikkeling. Er zijn enkele schilderijen met een volslagen experimenteel karakter. Zonder belangrijker te zijn maken ze de indruk van minder geschonden totaliteit. Ik heb er met Hegedusic over gepraat en hij vertelde me dat zijn volslagen experimentele dingen voor hem niet méér – maar ook niet minder – zijn dan een diepgaande proefondervindelijke ervaring, die de weg moet vrijhouden voor nieuwe vitaal blijvende oplossingen van zijn vormproblemen. Uit dit gesprek bleek mij trouwens – ik had het al gezien in het werk – hoe gulzig hij de mogelijkheden van de moderne Europese kunst heeft verslonden. Interesses voor Dix, Grosz, de schuilkelderfiguren van Moore, de surrealisten en dadaïsten en voor de afvalcomposities van Schwitters hebben hun neerslag in zijn werk achtergelaten.

Ik denk dat de moeilijkheid voor de ontwikkeling van zijn werk ligt in zijn verlangen al deze mogelijkheden tot één uitdrukkingswijze te versmelten – een moeilijke, want hoge eisen stellende taak.

Ongetwijfeld zijn zijn affiniteiten met de surrealisten en Dada debet aan details die het absurde onderlijnen. Ze geven inderdaad een enigszins surreële sfeer, maar zijn te anekdotisch genoeglijk behandeld om de totale uitdrukking werkelijk te schragen. Het is of de schilder op zulke momenten zich zelf uit de hand is gelopen en een ander deel van zijn persoonlijkheid hem vanuit een hinderlaag heeft overvallen. Zoiets ziet men gebeuren bij het vreemde rose ballonnetje, dat opstijgend uit een raam (in een werk overigens fantastisch gevoelig en zuiver geschilderd) de slechts door aangevretenheid levende muren en dode vensters van een speels effectje voorziet, in plaats van ze obsessiever te maken door de schok van absurditeit.

Ik geloof dat we de wortel moeten zoeken in zijn ontwikkelingsgeschiedenis en dat is er één van steeds rigoureuzere reductie tot het eigenlijke motief. Eerst zien we hem als een soort Zuidslavische Breughel (beeldend zwak) aan de gang. Het zijn illustratieve schilderijen, het overtuigendst als ze zijn samengevat in een verbindende grijze tonaliteit.

Er gebeuren in deze geschilderde (aan volkskunst verwante) plaatjes – die soms van grote verfijning zijn – dramatische dingen, die ons echter tot prentjeskijken verleiden dan ons overmannen. Zijn ontwikkeling is een vechten om los te komen van de vertelling. Zoals men hier kan zien: een taaie strijd voor de verovering van een suggestieve samenvatting in hoofdmotieven van zijn levensgevoel. Hierbij spelen de anekdotes van de goede verteller hem parten en ontstaan, in combinatie met poëtisch kleurgevoel, de grondgedachte allerminst versterkende charmante kleurvlekjes en objectjes. Dat is jammer voor onze perfectiedwang. In feite is het echter de moeite waard te zien met welk een durf en strengheid tegenover de eigen persoon een kunstenaar dingen die hij met moeite heeft verworven, weer moet amputeren en wegsmijten. Ze kunnen hem lief zijn, maar hun opoffering is winst.

 GEORGE LAMPE