De Schilder Jan van Heel

Subtitel: Vernieuwing die meer dan vooruitgang is.

Gepubliceerd: 7 December 1963 in Vrij Nederland.

Jan van Heel. Een figuur die men niet zonder meer plaatst. Gecompliceerd, grillig, met extra hoog levenstempo: de boog kan altijd gespannen zijn, denkt men; soms messcherp, bij het boosaardige af – ook t.o.v. zichzelf en dat is het belangrijkst\; iemand die zichzelf in twijfel kan trekken nadat hij 34 jaar geleden zijn eerste tentoonstelling hield en sindsdien de opvatting logenstraft dat een schilder, iedere schilder, nergens anders thuishoort dan in zijn atelier.

Want buiten zijn atelier is hij van alles, doet van alles. De gestalten die hij daarbuiten aanneemt kan men noemen: stimulerend tekenleraar  aan een lyceum, ex-docent vrije academie Den Haag, oprichter en leider van de indertijd zeer prominente groep Verve, groot ideeënproducent op sociaal-artistiek en pedagogisch gebied en zo was hij geestelijk vader en bestuurslid van  de Jacob Mariastichting en zo is hij commissaris voor de Parijse en Venetiaanse Biënnales en voor de Nederlandse tentoonstellingen in het buitenland, adviseur van O.K. en W., zit in de Rijksaankoopcommissie voor kunstaankopen en zo kunnen we doorgaan; allicht dat men iets vergeet.

Messcherp t.o.v. zich zelf, vol zelfkritiek, vol onzekerheid ook, zoals hij zelf zegt, en ook ijdel zoal hij zelf zegt.

Ondanks dat, een zelfbewuste taal, geneutraliseerd door zelfspot, want hij is ook sentimenteel, zoals hij zelf zegt, overgevoelig, ontvankelijk voor de indruk van kleine verloren dingen, kleine stillevens, waarin het lach en een traan-element meedoet en zo mag ik het noemen, want hij beschouwt dat niet als verwerpelijk.

Ik herinner me stillevens, die zo iets hebben: vreemde verdwaalde speelgoedjes, bloemen in glazen stolpjes, vogeltjes in kooitjes, trieste vossebontjes; een Couperusachtige melancholie om de verwaaiende bekoring van dingen die voorbijgaan, voorbijgingen.

Sommige van die dingen ziet men nu in het Gemeentemuseum van Den Haag. Ter ere van Van Heels 65ste verjaardag, de verjaardag van een onstuitbaar actief man, een tentoonstelling van werk van de laatste tien jaren. En dan is met werk bedoeld ‘schilderen’ en niet in de eerste plaats al die andere dingen, want die zijn altijd aan het schilderen ondergeschikt gebleven. Men vraagt zich af hoe? Want het gaat om tijdverslindende, energieverslindende dingen. Waarschijnlijk betekenen ze stimulansen in de gesteldheid van zijn persoonlijkheid. De één kan als hij naast het schilderen iets anders moet doen, nauwelijks werken; voor de ander is het tonicum, beweging, katalysator, sociaal functioneren, opnemen, in de running-zijn. Op die tentoonstelling ziet men die ‘vossebontjes’, ‘t speeltje’, ‘hinkelperk in de sneeuw’, ‘stilleven met verfrommeld papier’. Door hun mysterie en bekoring typische schilderijen van één kant, een vroegere, van Van Heel. Onderwerpen die een ander ook had kunnen kiezen, maar anders zou hebben geschilderd. Hier zijn ze met een gevoel voor sfeer en zonder angst voor sentiment vertaald in subtiele verftoetsen. Toestand en gesteldheid van de verf onmiddellijk identificeerbaar als behorend bij de poëtische kant van Van Heels persoonlijkheid, die, zoals ik nu duidelijk genoeg acht inderdaad gecompliceerd is, bij het ongrijpbare af.

STUG

Dat schilderen is het belangrijkst – ja – het is neerslag van wat hem beweegt, van wat hij is, onthullend wat hem betovert en troost. Dat laatste zeg ik met nadruk, al betreft het een harde werker die in een harde werkelijkheid bewust meedoet, die door zijn nevenactiviteiten van alles niet zo scherp ziet, weinig grootheid, veel kleinheid, in de heksenketel van betrekkingen van kunstenaars onderling, de nationale en internationale kunstpolitiek.

Waarom een tentoonstelling van de laatste tien jaren? Een bescheidenheid (?) van iemand die zolang schildert, scherp afstekend bij de al te voorbarige zelfgenoegzaamheid van sommigen die nauwelijks vijf of tien jaar bezig zijn en vinden dat ze het een aardig eind hebben geschopt.

Want Van Heel vindt dat zijn schilderen pas de laatste jaren schilderen is geworden. Maar ik ga verder terug dan die tien jaar en herinner me nog ander werk. Van lang geleden. Het is stug, een beetje hard, niet gemakkelijk gedaan en wrang. Dezelfde belangstelling is er voor de melancholieke kant van onmaatschappelijke verschijningen, clowns, kermissen. De uitdrukking is wrang, de schilderwijze wat krampachtig expressief, een tussending tussen realisme en expressionisme. De aanloop tot wat er later gebeurde en nu schijnbaar zover van afstaat.

Koloristisch was dat werk niet. Dat waar men later Van Heel moeiteloos aan herkent, moest er nog uit ontwikkeld worden: de speciale verfhuid, romig, smeuïg, vochtig, hier en daar oud en dor. De schoonheid van vergane glorie van verschoten doeken en herfstbladeren. Dat kwam na Parijs. Hij wilde kleur en vond kleur. Wilde verf beheersen en ging beheersen. Dan ontstaan dingen waarin de kleur vertaling is van poëtisch sentiment, soms bijzonder mooi, soms gevaarlijk aan de grens van fraaiheid. Dan komt Spanje en ontwikkelt zich het samenspel en samengroeien van de oude stugheid met de met moeite verworven, met schijnbaar gemak gemaakte genietingen, aan de meeslepende mogelijkheden van verf. Het dichterlijke wordt minder onderstreept door middel van het anekdotische. Het Spaanse landschap leverde hem een soort anti-anekdotische discipline op.

DISCIPLINE

Sinds die tijd is er een opmerkelijke vernieuwing in zijn werk. Als men jong is, ligt het voor de hand dat men zich voorlopig kan vernieuwen. Maar na tien, twintig, na dertig jaren wordt het anders. Dan krijgt het betekenis. Want velen zijn dan al lang afgezakt of zijn er zó goed gekomen dat ze zich zelf eindeloos herhalen. Van Heel zegt simpel dat hij vooruitgegaan is: een uitlating die in zo eenvoudige vorm menig over het paard getilde knaap zou sieren. Nieuwe impulsen in gloeiende okers, zwaar rood, diep bruin, zandkleuren, verzadigd en soms dor groen, nerveus schrift betekent misschien meer dan alleen maar vooruitgang in het werk van iemand die niet schroomt zich zelf sentimenteel ijdel, een stamelaar en bikkelhard te noemen en die in een zelf gecreëerd – uit behoefte gecreëerd – overbezet leven de keiharde discipline heeft weten op te brengen de feiten van zijn werk steeds zelf te zien en steeds opnieuw te lijf te gaan. Het is een discipline die niet tevreden is met talent, maar karakter veronderstelt, een altijd aanwezige zelfkritiek, die over eigen werk niet hoog doet opgeven. Er mag dan sprake zijn van ‘vooruitgang’, belangrijker lijkt mij de langzaam veroverde samenvatting, – een uiterst moeilijke opgave voor gecompliceerde naturen – van de uiteenlopende en zelfs tegenstrijdige factoren die zijn natuur beheersen.

GEORGE LAMPE