Dertig eeuwen Mexicaanse kunst

Subtitel: Tentoonstelling in Haags Gemeentemuseum. (26 Juni tot 31 Augustus 1959)

Gepubliseerd: 1959

Grafurn van de Zapoteken
in de vorm van
een zittende figuur met
een hoofdtooi van veren

Ik wil de grote emotionele indruk die de tentoonstelling van 30 eeuwen Mexicaanse Kunst in het Haags Gemeentemuseum maakt geen afbreuk doen door de merkstenen van een cultuur, die dood en leven in één adem noemde, te verduisteren achter een netwerk van ingewikkelde historische gegevens. Wel moet men weten dat het gaat om de vertolking van het levensgevoel van een aantal volken die, tot hun onderwerping door de Spanjaarden, elkaar in de loop van een aantal eeuwen aflosten, naast elkaar bestonden, elkaar om hals brachten en onderwierpen, waarbij het voorkwam dat de overwinnaar de cultuur van de overwonnene overnam.

Groot en onaandoenlijk moeten de goden zijn geweest die uit stenen ogen neerblikten op de stromen bloed die uit levend uitgerukte mensenharten verdampten in het harde licht van de zon, die er zijn luguber ontbijt mee deed. Zich voedend om op krachten te komen na zijn nachtelijk verblijf in het dodenrijk. Dat was de opvatting van de Azteken die het natuurdrama van leven dat zich voedt door doden en drinken van ander leven met gruwelijke consequentie op de spits dreven.

We zullen de mythologie evenals de historie aan de leerboeken overlaten. De doorsnee bezoeker zal naar de tentoonstelling gaan om door kunst gegrepen te worden.

Dat gebeurt hier met een kracht waar men niet aan ontkomt. Het is niet alleen het gevoel voor monumentaliteit dat soms tot in de kleinste beeldjes spreekt, het zijn vooral de onuitputtelijk grillige vormfantasie, de heftigheid, de met ijzingwekkende strengheid gepaard gaande wildheid en het naast elkaar bestaan van alle denkbare tussenvormen van abstractie en realisme die ons bij de keel pakken. Al bij de Olmeken treft men het jaguarmotief aan als realistisch behandeld gegeven, maar ook teruggebracht tot een enkel magisch-abstract teken. In de oude culturen was de Jaguar minstens zo belangrijk en de voorloper van de ‘gevederde slang’. Men komt hem bij de Azteken tegen als offerblok, in de rug een schaal uitgehold om het bloedige zonnemaal uit de menselijke harten in te bereiden. Soms bevindt die dodelijke holte zich in de rug van een als jaguar verklede menselijke figuur, die katachtig in de houding van een sfinx op de grond hurkt.

De Olmteken leefden van 500-100 v. Chr. , beeldhouwers bij de gratie gods, die niet terugdeinsden voor de vervaardiging van altaren en gedenkzuilen uit één blok, tussen de 30 en 40 ton wegend. De verschijning van Coatlicue, ‘zij met de slangenrok’ , is van grote gruwelijkheid. Zij is de aardgodin, gereed haar prooi, de zon, te verslinden met de harde kaken van de doodskop die haar schouders siert. Er zijn beelden van haar, zo bezaaid met symbolen van de dood, dat haar oorspronkelijk aspect van levenbarende verdwijnt achter de gapende duisternis van de angst.

GROOT VORMGEVOEL VERDWEEN

Westcultuur; zittende man

Niet uitsluitend hield de kunst zich bezig met gruwelen. De westcultuur heeft een kabouterachtig gewemel opgeleverd van kleine figuren uit het dagelijkse leven. Het zijn minder sacrale voortbrengselen, minder wreed en abstract. Men ziet een soort kleinbeeldrecording van een begrafenisstoet; een strenggeordend marcheren van grootneuzige dwergjes, op hun schouders torsen ze het star naar de hemel kijkend lijk, Men ziet huisjes met bewoners, dansers met dierenmaskers, acrobaten, mismaakten. Volgevreten hondjes en schilpadden. Indrukwekkend zijn de beeldjes als de ‘zittende man’, vereenvoudigd en laatdunkend, met ongeëvenaarde hovaardij door oogspleetjes turend, verfijnd en expressief.

Men wijst in de catalogus op de continuïteit in de Mexicaanse kunst. Ik zie dat aan voor een constructie met de goede bedoeling de glans van een groot verleden te verlenen aan wat daarna kwam .

Ondanks enkele klinkende namen is de moderne kunst armoedig vertegenwoordigd: een bittere anticlimax.

De koloniale kunst is alleen interessant door de krankzinnige weelderige vorm die de barok erin aanneemt. Maar men mist er het groot vormgevoel van de ondergegane cultuur. Qua inhoud staat de volkskunst, misschien in vervaagde en automatisch geworden herinneringen, nog het dichtst bij de oorspronkelijke sfeer, ontdaan van al het grote en verworden tot de bonte, zij het macabere kermisattributen van een pathetisch-sentimentele volksfilosofie omtrent leven en dood.

‘Tlazolteotl’

Men ziet niet meer de gevoelige bekwaamheid van de Azteek, meesterlijk vertolkt in de hurkend een kind barende vrouw ‘Tlazolteotl’.De godin van maan en aarde, eigenlijk zichzelf barend, maar ook de geslachtsdrift en de zondige, overspelige wellust symboliserend. Haar naam is ‘zij die drek eet’ , de zonden die haar worden opgebiecht. Het kleine beeld is van gevlekt apliet, wonderlijk van kleur en adering. Een mengeling van lust en pijn spreekt uit houding en gelaatstrekken.

OLMEKEN ZAPOTEKEN, TOLTEKEN

De mozaïekfiguren van de Mixteca Pueblocultuur treffen door de strengheid waarmee de ingewikkelde mozaïekstructuur bedwongen is. Samengevat tot maskers of de greep van een offermes, een knielende figuur voorstellend. De sterrenogen langs de hoofddoek vertellen van geofferden die als sterren aan de hemel komen. De rituele betekenis van de vlekken in de jaguarhuid hing daar ook mee samen. Krijgers droegen de jaguarmantel, want gevallen soldaten bezaaien de hemel als sterren zoals vlekken de huid van de jaguar.

Uitzonderlijke verfijning bereikte de kunst in de Mayaculturen, die zich het langst handhaafden. De meesten stierven rond 1521. Daar ligt ook het werkelijke einde van de pre-Spaanse cultuur, ingeluid door de tragische ondergang van de Azteken of Mexica (1345-1521).

Wie zich wil laten gevangennemen door de sombere maar weelderig bloeiende wereld van de bouwers van immense steden en piramiden, overdekt met in het felle zonlicht kantig en magisch reliëf, raad ik een kennismaking aan met de meester-beeldhouwers, de Olmeken. Of met de Mixteken, adembenemend fijne smeden, ragfijn tot in hun architectuur. Met de brede constructieve Tolteken, bouwers van cirkelvormige tempels. De Zapoteken, bespieders van de hemel, gebruikmakend van een kalendersysteem, waarmee vergeleken de Juliaanse kalender een onding was. Zij waren veelzijdige bewerkers van obsidiaan, hout, been, vulkanisch gesteente en plantaardige vezels.

Een kort moment kan men leven in Teotihuacàn, ‘de plaats waar mensen zich in goden veranderen’.

In 1521 werd Tenochtitlan, de hoofdstad der Azteken, verwoest door een troep desperado’s. Dit gebeurde onder de bekwame leiding van Cortes, die zich daarmee een vaste plaats in de geschiedenisboekjes verwierf. In 1519 zette hij voet aan wal in het land van de Mexica. Het was het Quetzalcoatl-jaar dat begon met de dag waarop de god-koning van de Tolteken niet slechts geboren maar ook gestorven was. Evenals Cortes droeg deze god een baard. Men dacht dat hij als mens was teruggekeerd, komend over het water, om zijn beloften in te lossen. Hij voltrok het laatste bloedige offer om zijn eigen god en volk met nog verslindender kracht te laten leven.

GEORGE LAMPE

Mixteken

Reliëfs Zapoteken

Olmeken

Tenochtitlan

Ruim 750 kunstobjecten, waaronder een aantal internationaal bekende topstukken, waren twee maanden lang in Den Haag te bewonderen. De kunst uit Mexico was ingedeeld in vier categorieën: de precolumbiaanse periode, de koloniale tijd, de huidige volkskunst en de eigentijdse, moderne kunst. Op de vloer stonden onder meer aardewerk en sculpturen van de Maya, Azteken en Mixteken, stukken uit de koloniale tijd die een vermenging te zien gaven van Mexicaanse en Spaanse elementen, volkskunst uit alle delen van het land, waaronder weefsels, maskers, aardewerk, speelgoed en religieuze objecten, en moderne schilderkunst waaronder werk van Diego Ridievera.

In present day, the prized Aztec Tenochtitlan is now the location of Mexico City. No doubt the Spaniards who invaded in 1591 could appreciate the power it controlled over its neighboring communities, and thus built the current (Spanish) capital from the ashes of this civilization. It actually wasn’t until the 1970s that true excavations of the site could be conducted because the streets of Mexico City were paved right on top of everything. When the large stone disk of Coyolxauhqui was dug up on February 21, 1978, archeologists were finally given the go-ahead to excavate the area. (Moctezuma)

The city was situated in the middle of the Texcoco Lake, The homes of the common people on the outer edges with the temple square in the center. (Moctezuma) There are four sections, but the city was connected by a series of canals, which some have likened to those of Venice, as the mode of transportation. Farming was done on the outskirts of the city as well, where lake touches the banks of the island. On Chinampas, the Tenochtitlan people were able to plant crops on manmade floating rectangular islands, abundant with fertilizer and space to grow. (In class)

The ceremonial city precinct was a walled in square, stretching roughly 400 meters on all four sides. It was accessible in the cardinal directions North, South, and West; though it is quite possible that there once was an entry in the East as well. (Moctezuma) Though while the residents of Tenochtitlan-conquered neighboring cities were aware of how opulent and grandiose the each of the 78 temples  were, the actual Tenochtitlan common people knew little about their capital square. When reconstruction of the temples through forced labor wasn’t taking place, this area was for the wealthy and important, or in the case of the Aztecs: a powerful warrior. (In class) Those who lived within these walls were granted palaces for homes, two storied, multi-roomed structures made out of adobe or stone. The more powerful the resident, the more outrageous the additions to the house became. At one time, the emperor’s palace had warrior sanctuary, a tribute storage room, an aviary, and even a zoo. (Berdan)

The Templo Mayor, or “Snake Mountain” was the grand pyramid that was the true behemoth and pride of Tenochtitlan. While the staircase alone was reconstructed 13 times, the whole building was completely redone 6 different times over the course of a century. At nearly 90 feet, it was a looming presence at the heart of the city, the center of the ceremonial square itself. (In class) At the top, standing side by side, are two temples. One building belonged to Tlaloc, the god of water, rain, and fertility; while the other building was for Huitzilopochtli, the god of the sun, war, and tribute. Considered the warrior culture of these people who lived off of marshy lands in the middle of a lake, both of these gods would hold major significance in Aztec life. With the god of sacrifice taking head at the top of this political and religious shrine, it is no surprise that actual human sacrifice was conducted here. (Moctezuma) The Aztecs believed in sacrifice for multiple reasons: for the sun to rise each day, for crop growth, as gifts to the gods, and many other reasons. These lives would usually be given in the form of slaves or people from the weaker surrounding cities. The alternative name of Snake Mountain was not simply a moniker slapped onto the pyramid for the sake of convenience. At the bottom of the temple, braced on either side of the staircase, are two large snake heads made out of stone. And when the sun hits the side of the pyramid just right, the shadows dancing across the stratified architecture look like the body of a moving snake. (In class)

This city only ruled over this area from 1425 to 1521, but within those short generations, Tenochtitlan was able to establish its dominance over the land in matters of war, technology, and architecture.