Variaties op het nieuwe zien

Subtitel: Drie actuele expostities in Amsterdam en Rotterdam.

Gepubliseerd: 17 Oktober 1964 in Vrij Nederland.

PLOTSELING krijgen dingen die men op expositie ziet, een andere betekenis dan nog maar kort geleden. Dit is geen kwestie van kwaliteit, maar van actualiteit. Het gewricht van de tijd draait voelbaar en onmiskenbaar. Begrippen hebben een andere uitstraling gekregen dan we de laatste jaren van hen gewend waren. Het heeft weinig met hun objectieve betekenis te maken, maar veel meer met een nevenbetekenis die altijd betrokken is op de een of andere vorm van actualiteit. Een vorm van waardering, onwillekeurig uitgesproken, in het gebruik van zo’n begrip. Een voorbeeld: non-figuratief en figuratief. De tijd is duidelijk voorbij dat het voorkomen van het begrip non-figuratief op een affiche als aanbeveling werkte. Of onze nieuwsgierigheid prikkelde. Daarentegen wordt die nieuwsgierigheid op het moment hevig geprikkeld als ons aankondigheden bereiken waarin de begrippen figuratief en realiteit voorkomen. Zij hebben de rol overgenomen die over het voetlicht moet brengen – voordat we iets gezien hebben – dat het om iets gaat dat nieuw is, opnieuw nieuw is, helemaal nieuw is; in ieder geval dat er iets aan de hand is dat niet tot uitentreuren herkauwd is, etc.. In dit licht bezien is het opmerkelijk hoe een groot aantal werken die men tot nu toe absoluut niet als verleden tijd voelde, met één klap iets over zich krijgen van dingen die voorbij zijn.

Om alle misverstand te voorkomen, nogmaals; dit heeft niets met hun kwaliteit van doen. Het is zeer wel mogelijk en trouwens hier en daar zichtbaar, dat allerlei werken met actuelere betekenis kwalitatief de mindere zijn. Kwaliteit van schilderijen, beeldhouwwerken, enz, staat volkomen los van een stroming, van actualiteit, maar is afhankelijk van de structuur, van de mentaliteit van de maker. De gebeurtenissen die de omwenteling van de tijd onuitwisbaar op ons netvlies hebben gebrand, zijn de tentoonstellingen van Pop Art en nieuw realisme. Niet dat deze gebeurtenissen met veel begrip ontvangen zijn. Een reeks critici heeft zijn burgerlijke verontrusting gespuid in artikelen die meer met demagogie dan met voorlichting te maken hadden. Dit is een verschijnsel dat zich veel verder uitstrekt dan tot beeldende kunst.

Ik lees in een krant, die iedereen moet lezen, een recensie over het zgn. Pop Art ballet dat een avond in het Kurhaus optrad. (Cunnigham, Rauschenberg.) De recensent, gemakkelijk in zijn stoel gezeten, maakt zich op de gebruikelijke superieure wijze van de zaak af, zonder ook maar iets te zeggen. Hij veronderstelt kennelijk dat het voor ons voldoende is, als we uit zijn stukje kunnen opmaken hoe hij er met hoog opgetrokken wenkbrauwen bij zat: überlegen, vol beschaafde walging, vol deskundig dédain, enormiteiten over het decor debiterend. Merkwaardig is echter dat, ondanks al het denigrerend geschrijf, Pop Art en nieuwe realisme (in welke vorm dan ook) het zien dermate hebben beïnvloed en geschokt, dat niemand er meer omheen kan. In bijna iedere beschouwing van enig belang vindt men er de werking van terug, al was het maar als schaduw. En zo gaat men dan tentoonstellingen weer met nieuwe ogen bekijken. En dat werd wel eens tijd. Want het is stomvervelend als men de dingen steeds op dezelfde manier moet blijven bekijken.

After all is het toch om er doodziek van te worden als men, schrijvend over kunst, niets anders opbrengt dan eindeloos herhalen van wat men vroeger beweerde. Een zekere moed is overigens altijd nodig om standpunten die men met verve verdedigd heeft, genadeloos te herzien, opnieuw te waarderen. Het is ten slotte jezelf aan scherpe revisie te onderwerpen. Iets dat voor een levende (anti-)kunst even hard nodig is als voor een levende (anti-) kunstrubriek.

Arman

Het is zo bezien de moeite waard om is Amsterdam, in het Stedelijk, de ‘Amerikaanse grafiek’ en de tentoonstelling van ‘Arman’ te bekijken. Te meer daar men moeiteloos van de tentoonstelling van Arman doorloopt in de aangrenzende Cobra-expositie. Tegen de achtergrond van de recente gebeurtenissen werkt de totaliteit van wat er van Cobra hangt als voltooid verleden tijd. Hetgeen men van Arman niet kan zeggen. Dit betekent – nogmaals: geen misverstand – niet dat de kwaliteit van Arman hoger ligt in het vlak van de kunst. Hier ligt overigens de sleutel tot inzicht in de oorzaak van een zeer taaie misvatting.

Zij, die zich over bepaalde aspecten van nieuw realisme en Pop Art opwinden, doen dit meestal op ondeugdelijke gronden. Ze trekken vergelijkingen in één vlak, terwijl het in wezen om twee, zeer verschillende, vlakken gaat. Ze zijn verontrust over de aantasting van het kunstgehalte. De oude benauwde kreet: ‘Is dit nog kunst’, doet opgeld. Goed, O.K. Het is geen kunst. Het is anti-kunst. En bekijk het dan ook als zodanig. Ik wil daarmee niet beweren dat anti-kunst belangrijker is dan kunst; alhoewel ik er erg van houd. Ik zou waarschijnlijk niet eindeloos bakken met schroeven en spijkers van Arman in mijn kamer zetten. Een is genoeg, maar die zou ik dan best willen hebben. Precies als een van zijn tableaus met resten van in elkaar getrapte violen of cello’s. Maar dat komt omdat ik de me de verrukking zeer goed kan voorstellen van het om der wille van de creatie in elkaar trappen van zulke mooie instrumenten. De fouten in de manier van bekijken hoeft men echt niet alleen aan de critici te wijten. De (anti-)kunstenaars zijn er zelf ook schuld aan. Ze zijn zo doodsbenauwd, zelfs als ze anti-kunst maken, niet au serieus genomen te worden. Een stukje onvervalst Kunstgeouwehoer van Pierre Restany als inleiding tot der catalogus van Arman is hier een voortreffelijk en onzindelijk voorbeeld van. Nog even en Pop Art, anti-kunst en nieuw realisme zitten in hetzelfde doodlopende en muf ruikende slop van de Hogere Bedoelingen. Men doet er overigens goed aan de dingen van Arman vooral niet als abstracties te bekijken. Probeer ze in godsnaam niet tegen beter weten in mooi te vinden op grond van compositie, vlakverdeling, etc. . Lees er gerust de titel bij. Er is inderdaad een tijd geweest waarin wij allen – en op goede gronden– verdedigden dat titel en voorstelling weinig met de waardering van het object te maken hadden.

Home, sweet home

Dat is niet onjuist. Alleen: als men de dingen van Arman zo gaat bekijken, komt men toch niet verder dan een krampachtig zoeken naar de laatste strohalm van een esthetische waardering. Met alle sombere en verwarrende gevolgen van dien. Buiten de directe reële concrete betekenis echter van een met gasmaskers volgepropte vitrine krijgt zo’n geval toch een extra ironische kant als men er bij leest dat het:’ Home, sweet home’ heet.

De Amerikaanse grafiek is niet van dien aard dat er werelden door omgestoten worden. De echo’s van de recente gebeurtenissen klinken natuurlijk duidelijk door in experimenten van Rauschenberg, werken van Dine, etc.. Het ziet er echter naar uit dat andere materialen en grotere formaten eerder de natuurlijke mogelijkheden boden om de grandioze vernieuwingen van ‘Pop’ en nieuw realisme te realiseren.

De tentoonstelling ‘Duitse kunst van heden’ is om verscheidene redenen van belang. Vooral als vergelijkingsmateriaal. In de eerste plaats de vergelijking met de ‘Duitse kunst van het (moderne ) verleden’. Ieder weet hoezeer Duitsland in het vlak van de moderne kunst een der felste brandpunten vormde. Tot Hitler de relatie met het internationale kunstgebeuren doorsneed. Ieder kan zich indenken hoe moeilijk het moet zijn geweest voor de Duitse kunstenaars de ontglipte draad weer vast te krijgen. Met hoeveel frustratie en onzekerheid dit gebeurd moet zijn. In een twaalfjarige nacht werd de internationale Duitse kunst gereduceerd tot provinciaal gespartel, folkloristische humbug. Juist gezien het fascinerende verleden, verdient wat men in ‘Boymans-Van Beuningen’ laat zien uit het heden aandacht. Het is een beetje trieste zaak. Er is heel wat kwaliteit te zien; in het vlak dat tot voor kort op geen enkele manier achtergebleven gebied zou kunnen worden genoemd. Maar ik beweerde reeds: de tijd is plots met een versnelling omgewenteld, met een ruk. En de Duitse tentoonstelling werkt daardoor als een echo met allerlei recente verledens. Er wordt druk in geabstraheerd. Op de oudere manier van Winter en Baumeister of gestructureerd op de moderne manier van Schuhmacher. Maar van wezenlijk nieuwe tendensen is weinig te bespeuren. De aansluiting op de ‘internationale’ is kennelijk op een ongunstig moment gebeurd. Net op het moment dat overal de zaak in versnelde beweging geraakter. Zo iets veroorzaakt verwarring, moeite om de dingen bij te houden. Namen en kwaliteiten levert de expositie genoeg. Naast de genoemden staan Grieshaber, Nagy en Trökes daar wel voor in.

Het is echter zo, dat men op het moment alle vormen van een bepaald soort geabstraheer plotseling als aanzienlijk vlakker ondergaat dan nog maar kort geleden. Dat is eigenlijk bij de Amerikaanse grafiek ook min of meer het geval. De ruimtelijke kracht die men in andere technieken reserveerde, tref men daar in bescheidener mate dan men verwachten zou. Wat de Duitse tentoonstelling betreft: Sonderborg is onder de schilders een uitzondering die duidelijk en weinig omzichtig een stap zet in een gebied waaruit een nieuwe realiteit verrijst. Zij het dat zijn benadering nog heel wat dichter bij de experimentele en expressionistische benadering staat dan die van Wunderlich in diens grafiek. Ik moet zeggen dat Wunderlich eigenlijk de enige is die ‘wonderlijk’ is. En dat komt omdat bij hem experiment en abstractie tot een scherpe realisering van ruimtelijke ervaringen zijn gebracht. Het gaat hierbij niet om iets dat met Pop Art of nieuw realisme à la Restany te maken heeft. We bevinden ons bij hem eerder op surreëel gebied. Dat geeft echter zijn werk, vooral in zijn Leda-serie, een kracht die men op deze drie tentoonstellingen verder weinig geëvenaard vindt. Dit zit echter niet eens zo zeer vast aan de kracht van zijn beeldende techniek , dan wel aan iets anders, dat voor de toekomst van het grootste belang zal zijn: de verheviging van het voorstellingsvermogen.

GEORGE LAMPE

Wunderlich uit de Leda-serie