Zadkine en de idee van de negatieve plastiek

Gepubliseerd: 28 Juli 1962 in Vrij Nederland.

Het is nog maar kort geleden dat geen mens het in zijn hoofd haalde dingen die zich in de alledaagse werkelijkheid als bol voordoen, in de beeldhouwkunst als hol, of zelfs als gat voor te stellen. Laten we in dit verband de menselijke figuur nemen. In dat, nog jeugdig verleden beschouwde men vrouwenborsten uitsluitend als aanleiding om sculpturen van uitwassen – in wat revolutionaire gevallen van bolvormen – te voorzien. Het besef dat beeldhouwkunst weinig te maken heeft met imitatieve afbeelding van wat men met routine in de alledaagse werkelijkheid meent waar te nemen, was er voor nodig om hierin drastisch verandering te brengen. Overdreven (want vroeger werkte men op andere wijze, onbewust met diezelfde elementen, zonder ze te accentueren) gesteld: vroeger was een gat zonder meer niets. Nu kan een gat het negatief van een bolvorm beduiden.

Het is niet nodig verwonderd te doen over zo iets. Want iedereen accepteert de functie van -5 evenzeer als die van +5. Dat wat er niet is, is er tegelijkertijd, op andere wijze, wel degelijk: bijvoorbeeld als invloed. Dergelijke opvattingen hebben het uiterlijk van de beeldhouwkunst ingrijpend veranderd. Een man als Zadkine (tentoonstelling Gemeente Museum Arnhem) is een voorbeeld ervan dat hele bevolkingsgroepen deze ‘vreemde’ ideeën kunnen gaan aanvoelen. De Rotterdammers hebben zich immers tot aanhankelijkheid toegewend aan een beeld dat voor een groot deel uit gat bestaat. Voor het publiek is Zadkine in ieder geval de populairste gatenmaker geworden. Want alhoewel er heel wat verzet was tegen dit beeld in Rotterdam, is het al lang duidelijk, dat de Rotterdammers voor hun uitgeholde stadgenoot zijn gaan voelen.

Zeer zeker moet dit voor een deel geschreven worden op rekening van het dramatisch-illustratieve element dat de doorsnee er in voelt en dat er waarschijnlijk ook wel in aanwezig is. Goed, het is een beeld, een man met een groot gat erin, een dramatische en wanhopig gebarend geval. Zo’n gat blijkt men als ‘nuchtere’, Hollandse volksmassa, wars van kunstonzin, toch te kunnen waarderen. Het verband met het verwoeste leven, met het gat dat in Rotterdam is geslagen en de ten hemel schreiende smart daarom ligt voor de hand. Het een en ander is niet vrij van melodrama. Maar doet dat iets af aan het werkelijkheidseffect? De werkelijkheid is schandalig en ongelofelijk melodramatisch, tot in het onbeschaamd goedkope toe. En geeft oorlog niet een overdosis daarvan?

Maar nu doemt de vraag op of een ander beeld van Zadkine op dezelfde plaats even populair had kunnen worden. Laten we stellen: ook een figuur. Ook met een doorkijk, een gat, naar de vrije ruimte, maar niets te maken hebbend met een oorlog die ‘gaten slaat’.Want het is duidelijk dat Zadkine buiten dit geval zijn gaten niet gebruikt als vernietigingssymboliek, maar als beeldend middel. En voor hem zelf was een dergelijke symboliek waarschijnlijk een zinvolle coïncidentie, maar lag het accent even waarschijnlijk toch op de beeldende taal van de in het beeld gedachte kloof.

Zouden we mogen veronderstellen, dat de dramatische figuur uit Rotterdam de weg heeft geëffend voor het begrip dat Zadkine met zijn gaten in andere werken beoogde? Het is niet onmogelijk. Want de eisen die hij stelt zijn niet te hoog. Hij houdt een levendig contact met de natuur aan met de mannelijke figuur. Zijn gedeeltelijke betrokkenheid op het kubisme is bij hem niet uitgelopen op een abstract-steriel bouwen en schuiven met massa’s.

De idee van de negatieve plastiek werd indertijd door Archipenko uiterst consequent toegepast en dat is nu al tientallen jaren geleden. Het is overigens merkwaardig hoe weinig men de naam Archipenko tegenkomt, terwijl hij de man is geweest die de ideeën van het kubisme aan een zinvolle vertaling in de materie van de beeldhouwer hielp en wat dat betreft voor de beeldhouwkunst een (kleiner soort) Picasso speelde. In ieder geval heeft Zadkine contact met hem gehad en heeft gezien met hoeveel ijver en durf hij hoofden en borsten omzette in holten en gaten en zodoende de figuur een nieuwe en tot dan ongekende verbeeldingskracht en – mogelijkheid verleende.

Hoe invloedrijk deze uitbreiding van het gezichtsveld voor de beeldhouwers was, blijkt uit het feit, dat sindsdien de beeldhouwkunst wemelt van de gaten en holten, zelfs tot in het onverantwoorde en modieuze toe. In de schilderkunst is iets dergelijks gebeurd. Men kreeg oog voor de betekenis van de vorm van de ruimte tussen de dingen voor de vorm van die dingen zelf, voor zover ze object waren in een schilderij.

Vergeet niet, dat de ruimte in een schilderij geen echte maar een verbeelde ruimte is en de objecten geen echte maar verbeelde objecten zijn. De opening tussen de dingen bepaalt daar in hoge mate hun verhouding en plaats. En hoewel men op ‘abstracte’ schilderijen geen potten en pannen aantreft, geldt dat, voor zover ruimtelijkheid in het geding is, al evenzeer t.o.v.  elementen die in het schilderij een concretere vastheid suggereren.

En zo zijn er dingen ontstaan die populair gezegd de indruk maken, dat de hemel in een vaste stof is veranderd en de vaste stof in de hemel. Dit als uiterste consequentie van het besef, dat dat wat niet tastbaar is, in de uitbeelding een reële en als het ware concreet waarneembare kracht kan worden.

Zadkine overigens, heeft zijn vormonderzoek niet beperkt tot beeldhouwen, maar strekte het uit, zoals de tentoonstelling toont, tot tekeningen, gouaches en tapijten. En ook daarin ziet men de toepassingsmogelijkheid van het negatieve vormgebruik. Zelf zegt Zadkine: “Het geheim van de nimmer stervende innerlijke rust die de beeldhouwkunst eigen is, kan slechts achterhaald worden door ervaring, door het ondergaan van de geheimzinnige muzikaliteit, de organische samenklank van haar vormen, van hol en bol…. “.

En: “Het zal onmiddellijk duidelijk zijn dat de aldus opgeroepen gewaarwordingen niets te maken hebben met anatomische overwegingen , waaraan dan al dan niet de hand is gehouden. De beschouwer van een beeldhouwwerk, of het nu modern of uit vroeger tijd dateert, is niet geroepen om zijn eigen kennis van de anatomie of die van de beeldhouwer te toetsen, maar als het ware om deel te hebben”.

Aldus twee uitspraken van Zadkine, direct op zijn werk betrekking hebbend. In andere uitspraken legt hij enerzijds de nadruk op het abstracte karakter van het beeldhouwwerk, als ‘niets anders’ dan een verzameling punten en lijnen in de ruimte, anderzijds wijst hij op de emotionele ervaring daarvan en op de overbrenging van die bewogenheid op de toeschouwer. ‘Beelden’ (werkwoord) betekent bij hem allerminst een abstract-steriel uitwegen van het effect van massa’s, bollen en gaten. Het gaat tegelijkertijd om een met hartstocht beleefd avontuur met de vorm tot het mysterieuze voelbaar nadert. Er is nu die tentoonstelling in Arnhem.

Moeten we nu gaan praten over het een dat beter of minder geslaagd is dan het ander? Dan miskennen we datgene waar we voor staan en dat we als een continuïteit moeten zien, met ups en downs, en niet als een aantal proefwerkjes waaraan we cijfertjes mogen uitdelen. Het gaat om de uitwerking van een probleem dat een kunstenaar levenslang hartstochtelijk bezighoudt. Zijn weg ligt sinds het kubisme afgetekend. Een avontuurlijke weg, en de vormen die hij er langs achterliet worden rijker en soms zijn ze misschien wel wat mislukt. Dat laatste is echter uitsluitend van groot belang als hij dat zelf constateert. Wij hebben niets aan het werk toe of af te doen. Het gaat niet om het esthetisch afkruisen van een estheet.

Tenslotte laat ik hem zelf aan het woord:

‘Beeldhouwkunst is voor mij in het algemeen en door de eeuwen heen een symbool, liever nog een van de sterkst sprekende symbolen van de menselijke beschaving. Denken we in dit verband slechts aan de rol van de beeldhouwkunst als beeldende taal, waarin de meest ontoegankelijke denkbeelden op godsdienstig en levensbeschouwelijk terrein tot uitdrukking zijn gebracht”.

GEORGE LAMPE

De citaten zijn ontleend aan de catalogus en zijn vertalingen van door Zadkine in het Engels geformuleerde gedachten.